100ProcentLizette
Ik ben Lizette Colaris - aangenaam!
Abonneren

Abonneer je nu voor nieuwe artikelen in deze categorie!

Abonneren

Altijd 100Procent op de hoogte blijven? Abonneer je hier!

Passievrucht

In 2016 publiceerde Lizette Colaris haar eerste dichtbundel met het thema 'Passie'. Een kleurrijke collectie warme en meertalige fragmenten van passie!

MO

In 2016 debuteerde Lizette met een korte thriller: MO. Geschreven in het Sittards, in dezelfde uitgave staat ook de Nederlandstalige versie.

Meer informatie: www.zittesjethriller.nl

Laat mij dan een prediker zijn. Een prediker van liefde. Laat mij u vertellen over dat leven liefde is.

Ik zag een documentaire over de Japanse onderwijzer Kanamori. Hij geeft les aan groep 6. Rekenen, Taal, karakters schrijven. Het bekende werk. Maar veel belangrijker dan dat is wat hij bovenaan zijn lesprogramma heeft staan: een band laten ontstaan tussen alle leerlingen van zijn klas. Vijfendertig in totaal. En hen laten zien wat liefde is. Liefde voor zichzelf, voor anderen en voor het leven.

De Japanse kinderen lijken in alles op onze kinderen. Hun gedrag in de klas, hun onstuimigheid, hun egoïsme, hun spontaniteit, hun bravoure. Hun meester echter lijkt niet op de onze. Hij observeert en geeft kinderen naast alle andere taken een bijzondere taak: dagelijks schrijven drie kinderen een brief aan de klas over wat zij ervaren hebben de dag ervoor. En in die brief schrijven ze wat hen geraakt heeft, waar ze boos van werden, of juist blij. Waar ze trots op zijn of zich juist voor schamen. Naar aanleiding van de brieven ontstaan er discussies in de groep. Kinderen herkennen zichzelf in de tekst, of juist niet. Spreken naar elkaar uit wat zij ervaren, niet als feit maar als gevoel. Spreken uit wat hen bezighoudt en terughoudt, wat het leven hen op deze jonge leeftijd al aan uitdagingen biedt. Zoals het verlies van een vader. Regelmatig vloeien er tranen. Maar één ding is wel erg opvallend: de klas is tijdens deze momenten muis, maar dan ook muisstil. Iedereen richt zijn aandacht op het gezegde, en op de gevoelens die het met zich meebrengt. Iedereen kijkt naar zijn of haar eigen hart en dat van de ander.

Kanamori leert de kinderen de belangrijkste les van het leven: ze leren kijken naar zichzelf, kijken naar hun hart. En niets is moeilijker dan dat. Het is niet makkelijk om in je eigen hart te kijken. Maar je zult je eigen kwetsbaarheid moeten ontdekken om een band met anderen aan te kunnen gaan. Je kwetsbaarheid tonen. In de Japanse schuldcultuur, waar harakiri toch vanuit de traditie het antwoord was op gemaakte fouten, staat er nu een onderwijzer op die tegen de leerling zegt: toon je kwetsbaarheid. En tegen de groep: aanvaard de kwetsbaarheid van je vrienden en steek een helpende hand toe. Pas wanneer je je kwetsbaarheid hebt getoond zullen je naasten het voor je opnemen en je beschermen. Getuige van deze stelling is het moment waarop een leerling door meester Kanamori gestraft wordt wegens het voortdurend kletsen en giechelen tijdens de les (dat komt de Nederlandse onderwijzer beslist bekend voor). De leerling mag niet deelnemen aan het middagprogramma, wat een absolute beloning voor hard werken zou worden. De leerlingen hadden hier erg naar uitgekeken. De gestrafte leerling, Yo, zou in de klas moeten blijven terwijl zijn vrienden vlotten gingen bouwen. Yo barstte in tranen uit. Meester Kanamori wachtte zwijgend de reacties af. Schoorvoetend ontstond er een protest. Eén leerling nam het voortouw, een ander vulde het aan.  De klasgenoten vonden de straf niet passen bij de zonde. En uit protest tegen deze straf zouden zij zelf dan ook niet deelnemen aan de vlottenrace. De advocaten van de gestrafte leerling huilden zelf terwijl zij spraken. De pijn van Yo was daarmee ook hun pijn. Meester Kanamori’s hart moet beslist sneller geslagen hebben toen hij de reacties hoorde. Zijn doel was bereikt, de band was ontstaan. De groep was belangrijker dan het individu. Maar zonder het individu was er ook geen groep. De kracht van ‘samen’.

Zijn dit belangrijke lessen voor leerlingen van 10 jaar? Lijkt mij wel. Behalve alle tafeltjes van voren naar achteren te kunnen opdreunen, lijkt mij zeker in de huidige tijd, dat het laten zien en voelen wat echt leven inhoudt nu belangrijker is dan ooit. Dat liefde en het delen daarvan noodzaak is om te kunnen overleven. Dat kwetsbaarheid niet betekent dat je hulpeloos bent. Dat niets in dit leven zeker is, dat je geen garanties krijgt. En dat het goed is na te denken over het leven en jouw rol daarin. Dat vriendschap ontstaat door elkaars gevoelens te respecteren. Oog hebben voor elkaar is het geheim om gelukkig te worden. Gelukkig zijn vanuit het diepst van je hart.

Ik vertel niets nieuws. Het is een eeuwenoud verhaal dat veel te vaak verkeerd geïnterpreteerd wordt. De wereld heeft predikers nodig. Laat mij er dan één zijn. Geef de draad door, dan breekt het lijntje niet.

Reacties

Wat ben ik blij met deze Minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschappen. Ze gaat het Bindend Studieadvies ter discussie stellen in het najaar. Maar ik kan verder gaan. Bijvoorbeeld: het bekostigingssysteem van het hoger onderwijs veroorzaakt de prestatiedruk en stress onder studenten én ook onder docenten. De student wordt geacht in vier jaar tijd de HBO-Bachelor te behalen. Wanneer er bijzondere omstandigheden een rol spelen in die vier jaren, mag de student er een jaar langer over doen. Maar dan? Duurt het (helaas) langer dan vijf jaar? Dan krijgt het opleidingsinstituut (!) een boete voor het langstuderen van de student. De omstandigheden van de student zijn echter in de meeste gevallen helemaal niet verwijtbaar. Het is namelijk niet zo dat het leven van studenten gedurende vier levensjaren stilstaat, dat er niets gebeurt in hun 'Umfeld'. Ouders scheiden, (stief-)vaders of moeders overlijden, vrienden plegen zelfmoord, er wordt een functionele beperking geconstateerd (tijdens de HBO periode wordt vaak pas duidelijk dat bv. ADD al die eerdere jaren dwars gezeten heeft), en ze zijn vatbaar voor depressies (goh hoe kan dat nou?) - ik noem maar wat voorbeelden uit de praktijk. Is dat verwijtbaar? Nee. Is het begrijpelijk dat deze student tijd nodig heeft om iets te verwerken en misschien hulp te zoeken? Opleidingen doen naar mijn ervaring hun uiterste best om studenten te begeleiden bij deze Levensschool-ervaringen die zich naast hun Hogeschoolervaring voordoen. Maar de tijd tikt. Niemand kan er iets aan doen: verwerking, trauma en chaos vergen tijd voor herstel. Maar de opleiding voelt de druk van het boetesysteem, en de student voelt de druk van de opleiding. Uiteindelijk ontstaat er een tendens om studenten die dreigen een zeer lange studievertraging te gaan oplopen, dan maar de deur uit te werken. Zonder diploma, hopelijk met enig soelaas van DUO met een verminderde studieschuld. 

Naar mijn mening deugt het systeem op dit punt niet, en is dit de hoofdoorzaak van veel ellende en stress bij alle partijen die bij onderwijs betrokken zijn. Lieve minister van Engelen. Misschien vindt u er zo snel niet de woorden voor (zoals ik lees in het artikel), maar u mag mijn woorden lenen. Al zijn ze dan misschien niet onderbouwd of doordacht, ik denk wel dat ze in de kern waar zijn.

Natuurlijk moet er een kader zijn. Voorwaarden mogen gesteld worden. Maar zo strak en op straf gericht als nu, dat is niet gezond. Voor niemand.

Reacties

De smartphone bestaat sinds 1992. Dankzij internet is het een onmisbaar item geworden, voor iedereen is er wel een reden waarom een smartphone een uitkomst is. Communiceren en bereikbaar zijn is er veel eenvoudiger door geworden, we kunnen er mee navigeren en eten bestellen. Maar oei, wat is het moeilijk om dat ding weg te leggen.. De ontwikkeling van apps ging razendsnel en voordat we het wisten konden we middels Whatsapp en een internetverbinding oneindig veel met elkaar communiceren – praktisch gratis.

Het valt me op dat veel mensen sindsdien moeite hebben met –letterlijk-  afstand nemen. Ze ontvangen en verzenden berichten en foto’s aan de lopende band, zijn zich niet meer bewust van hun gedrag. Overal, maar ook echt óveral, is de smartphone te vinden in de hand. Als iemand het verzonden bericht gezien heeft (af te lezen aan de blauwe vinkjes in de app), dan wordt er vanuit gegaan dat er ook meteen gereageerd wordt. Oh wee als dat niet direct gebeurt. Groot ongeduld. Maar ook ontzettende ongerustheid. Hoe dan ook: onrust, in het algemeen. Tussen geliefden (die willen weten wat de ander aan het doen is, en vooral wat die doet op de ‘foon’), tussen werkgevers en werknemers (‘jij bent altijd bereikbaar wanneer ik jou nodig heb’) , tussen vrienden (‘hee, waarom geef je geen antwoord…!!’), en tussen ouders en kinderen (‘lieverd, gaat het wel goed daar?’). De blauwe vinkjes kunnen ook uit gezet worden, dan is dus niet waarneembaar of het bericht gelezen is. Dat verschaft de ontvanger wat respijt. Maar de zender krijgt er soms een punthoofd van. “Waarom antwoord je nou niet?!”

Hoe rustig was het in de jaren dat ik opgroeide, merk ik op. Op de middelbare school had ik wat vrienden, we praatten in de pauzes de oren van elkaars hoofd. Na school fietsten we naar huis, gingen daar onze eigen dingen doen. De volgende dag kwamen we dan weer naar school en daar waren onze vrienden dan ook weer. Als we thuis waren en we wilden even contact met die vrienden, dan moesten we onze ouders vragen of we even mochten bellen. Dat mocht, maar ‘hou je gesprek kort en bondig, de tikken kosten veel geld!’. Toen ik later ging studeren (in de periode kort vóór de introductie van internet en smartphones), was er op de gang in mijn studentenflat een gemeenschappelijke keuken, gemeenschappelijke toiletten, een gemeenschappelijke wasmachine én een gemeenschappelijke telefoon. Daar hing een blocnote naast en een potlood aan een touwtje, en op de blocnote stond een rijtje voornamen met daarachter een getal: de verbruikte tikken. De tikkenmeter hing in de meterkast, en daar las je vooraf het startgetal af, en na je gesprek het eindgetal. Aan het einde van de maand kwam de telefoonrekening, en één van de bewoners die als beheerder was aangewezen, ging dan met ieder afrekenen. Behalve dat het relatief duur was, was de privacy ook gering: de telefoon hing open en bloot in de gang, dus iedereen kon (als die daar interesse in had) meeluisteren met jouw gesprek. Zo ging dat, en dat was normaal. Eens per week belde ik naar huis, op woensdag om 20.00 uur stipt. Dan praatte ik mijn moeder snel even bij en hing weer op. Ik moest mijn problemen zelf zien op te lossen en kon niet voor elk wissewasje mijn ouders benaderen. Dat heeft me een zekere mate van zelfstandigheid opgeleverd, die me later vaak goed van pas is gekomen. Dat besef ik nu pas, hoor. Op dat moment vond ik de vrijheid en onafhankelijkheid werkelijk waar heerlijk. Even geen moeder die over mijn schouder meekeek of mijn spullen nakeek. Dat kon op die manier, omdat ik geen noemenswaardige problemen had, dat besef ik.

Tegenwoordig raken ouders al in paniek als hun studerende kind niet binnen 12 uur online is geweest en geen virtueel teken van leven geeft. Terwijl dat kind gewoon bezig is zijn of haar eigen leven te leiden. Tenslotte zijn ze dan al 18, 19 jaar oud.. dus een bepaalde mate van zelfstandigheid en onafhankelijkheid mag wel aanwezig zijn. Kinderen moeten zich nou eenmaal losmaken van het ouderlijk nest, uitvliegen om af en toe weer binnen te vallen. Uitpuffen en opnieuw vliegen.

Mensen hebben de rare neiging hun kinderen te willen vasthouden tot ze meer dan volwassen zijn. Begrijpelijk, wanneer dat kind ondersteuning nodig heeft. Maar in het geval dat uw kind eigenlijk reëel gezien geen zorgondersteuning behoeft: doe hem/haar en uzelf een plezier. Laat ze (ook per sociale media) met rust. U geeft ze de kans om te leren, vooral van hun fouten. En dat is echt ergens goed voor. U heeft het tenslotte zelf toch ook overleefd?

Reacties

Mijn oudste zit op de middelbare school, en herleeft daar alles wat ik zelf ook meegemaakt heb. Ongelooflijk, hoe weinig er eigenlijk veranderd is. Daar had ik eigenlijk wel meer van verwacht.. met de huidige kennis over hoe informatieverwerking in de hersenen plaatsvindt, wordt kennelijk nog steeds weinig verrassends gedaan. Nog steeds is de docent er vooral om te vertellen wat er in het boek staat (!) en is er niets leuker voor de leerlingen dan uit te proberen waar de grens ligt bij de docent. ‘Es kijken hoe we hem/haar aan het huilen kunnen krijgen…’ is de grootste uitdaging van de dag. Nog steeds!

Iets anders waar die oudste van mij de laatste maand mee te maken kreeg, is de vermaledijde Beroepskeuzetest: de Ilias. Herinnert u zich die nog? Je bent amper 14 en krijgt een lange reeks vragen voorgeschoteld waar je nog niet de helft van begrijpt. ‘Vind je het leuk om offertes uit te brengen?’… geen idee. Wat is dat? Vaak hebben jongeren op die leeftijd nog geen enkel beeld van wie zij zijn, of wat er allemaal te doen is in de wereld. Ze moeten antwoord geven op vragen die voor hun gevoel over futuristische waanbeelden gaan. Het resultaat van de test levert onherkenbare algemeenheden op. Ik herinner me overigens dat mijn test destijds eindigde met op stip, als meest geschikte beroep voor ondergetekende: HOVENIER. U kent mij niet persoonlijk, maar als er iets is waar ik niks mee heb.. ik kon er dus helemaal niets mee.

Mijn oudste heeft wat dat betreft met zijn analyse de spijker op zijn kop geslagen. Het is namelijk zo: deze jongeman heeft al lang een vast voorgenomen toekomstbeeld. Hij is de uitzondering, ook wat dat betreft. Hij wil beroepsmuzikant worden. En dat wil hij met volle overtuiging. De beroepskeuzetest op school wilde hij aangrijpen om dat nog maar eens goed duidelijk te maken. Maar: in de hele lijst vragen kwamen slechts twee vragen voor die met zijn interesses te maken hadden. De rest van de vragen waren inhoudelijk voor hem niet duidelijk, of vaag. ‘Hoe kan ik nou als uitslag mijn voorkeur krijgen, met deze vragen?’, was zijn – naar mijn mening terechte – commentaar. Al met al dus nauwelijks een mogelijkheid om in de buurt van zijn werkelijke beroepswens te komen. De uitslag: met stip op 1 het meest geschikte beroep voor hem: advocaat. En laat dat nou juist het beroep zijn waar hij afkerig van is!

Zijn analyse zette mij wel aan het denken. De beroepskeuzetest die wijdverspreid wordt gebruikt in middelbare scholen is dus wel degelijk inzetbaar als direct invloedsmiddel voor de beroeps- en daarmee samenhangende opleidingskeuzes die jongeren maken. Door de samenstelling van de vragenlijst wordt de uitkomst voorspelbaar, en manipuleerbaar. Meer vragen met betrekking tot techniek? Dan krijgen naar verhouding meer jongeren een uitslag met beroepen in de technische sfeer. Hier kan de overheid er dus in een vroeg stadium al voor zorgen dat jongeren kiezen (of juist NIET kiezen) voor bepaalde sectoren. En voor de MBO en HBO opleidingen die daar bij horen.

‘Ja, maar dat is toch juist goed,’hoor ik u denken. ‘Dan kiezen ze tenminste een beroep waar ze later ook werk mee kunnen krijgen!’. Niets is minder waar. Er bestaan geen zekerheden meer op dat gebied. Laat die gedachte maar los. We hobbelen inmiddels van het ene tijdelijke contract naar het andere, vaste aanstellingen zijn schaars en daarnaast ook al niet meer zo zeker. De sectoren waarin nog werk te krijgen is, worden met de dag minder groot. Meer krimp dan groei, behalve in medische techniek, logistiek en agrofood. En dat is nou eenmaal, zeg maar, niet iedereen zijn of haar ding. Denk groot, denk in mogelijkheden. En laat dat beginnen op die middelbare school, waar het invullen van beroepskeuzetesten beter acuut vervangen kan worden door kortdurende kennismakingsstages bij bedrijven en instellingen. Het keuzemoment moet zo laat mogelijk in de leerroute plaatsvinden. Of misschien zelfs daar buiten. Laat jongeren eerst eens beleven, groeien en uitproberen. Zeg nou zelf, wat wist u toen u 14 was over het werk dat u vandaag doet? Dat bedoel ik.

Reacties

Kiezen voor een opleiding is kiezen voor een beroep. Een keuze die al vroeg in de schoolcarrière gestuurd wordt: door middel van Cito-scores wordt zo rond het elfde of twaalfde (!) levensjaar bepaald welke voortzetting het onderwijs zal krijgen. Ouders hopen op een qua niveau zo hoog mogelijk vervolg, want hun kroost dient maatschappelijk succesvol te worden. Hierover kunnen we nog eens een boompje opzetten, want wat is dat: ‘maatschappelijk succes’?

Los daarvan: na het basisonderwijs wordt de opleiding vervolgd op een niveau dat aansluit op de Cito-scores. Niet lang daarna wordt de beroepskeuze-vraag gesteld. ‘Wat wil jij worden? Weet je dat nog niet?’ De scholier is een jaar of 14 als dit antwoord opgehoest moet kunnen worden. Je weet het niet? Dan volgen testen en gesprekken en onderzoeken. Want er móet iets gekozen worden als vervolg op het inmiddels voortgezette onderwijs. Uiterlijk op 18-jarige, maar vaak ook al op 16-jarige leeftijd, moet bekend zijn in welke richting deze adolescent zich wil gaan ontwikkelen. Een beroep ‘naar keuze’. Lukt het om met succes de eindstreep van het voortgezet onderwijs te behalen, dan kan begonnen worden met het kiezen van een Middelbare, maar liever nog een Hogere Beroepsopleiding.

Nu is de trend binnen de beroepsopleidingen geworden de volgende eis te stellen aan de vers binnengekomen studenten: een ‘professionele houding’. Een houding waarvan wordt aangenomen dat het bedrijfsleven deze wenst te zien van haar werknemers.

 

Valt u iets op in dit verhaal? Nee? Dan zal ik een parallel proberen te leggen met iets dat er op lijkt.

Als jong meisje, opgroeiend in een Limburgs gezin met een vader die zeer actief spelend lid was van fanfares en harmonie-orkesten, ging ik een Algemeen Muzikaal Vormende opleiding (kortweg: AMV)volgen. Dat kon al op 9-jarige leeftijd, en bestond uit twee jaar leren noten lezen en blokfluit spelen. Aan het einde van die twee jaren werd de inzet beloond met een diploma en werd mij een instrument overhandigd: een trompet. Niets had mij treuriger kunnen stemmen, want mijn zus speelde al trompet. En ik wilde graag saxofoon spelen, maar daar had de fanfare op dat moment geen oren naar. Ik wist niets af van het bespelen van een trompet, noch van een saxofoon of een xylofoon wat dat betreft. Ik had nog nooit een instrument aangeraakt (behalve de blokfluit), en er werd aan mij geen keuze gelaten. Er werd van mij verwacht dat ik een jaar of drie hard ging oefenen om dan in het orkest te mogen gaan meespelen op de trompet.  Later heeft mijn vader er voor gezorgd dat ik alsnog een saxofoon in handen kreeg, aangezien het tranendal van frustratie waarin ik terecht gekomen was, te diep was geworden. Daarnaast dreigde ik mijn motivatie om überhaupt nog een instrument te leren bespelen, te verliezen. Maar dit terzijde.

Mijn zoon heeft, de traditie voortzettend, óók AMV les gehad. Maar: deze opleiding duurde slechts 1 jaar, bestond uit zowel blokfluit- als keyboardles, en hij mocht elke twee maanden instrumenten beluisteren en bespelen. Hij mocht praten met ervaren spelers en beginnende spelers over hoe wel of niet moeilijk het bespelen van dit instrument was, enzovoort. Zo kreeg hij een duidelijk beeld van wat hij wel en niet interessante instrumenten vond. Zijn keuze mocht hij aangeven, een drietal, en daaruit werd in overleg met de vereniging bepaald op welk instrument hij zich verder zou gaan bekwamen. Nooit een traan gezien, nooit spijt gehad, nooit opnieuw hoeven te beginnen. Hij speelt nog steeds, en fanatiek ook.

Wat is nou de parallel die ik bedoel? Wel, dat is de volgende: als we van (zeer) jong volwassenen verwachten dat ze een beroepshouding laten zien, waarom geven we ze dan niet eerst de kans kennis te maken met dat beroep, in de praktijk? Zodat ze een beeld hebben bij wat er dan bedoeld wordt met die ‘houding’? En niet alleen dat: kennis maken met wat dat woord ‘manager’ in de praktijk aan werk met zich meebrengt. Bijvoorbeeld. Naar mijn mening heeft een scholier die net het diploma HAVO op zak heeft, nog niet echt een concreet beeld van de praktijk in het bedrijfsleven: tot dat moment heeft hij/zij hopelijk wel een bijbaantje gehad, maar of daarmee al voldoende duidelijk is wat er nou precies van ze verwacht wordt in het HBO? Dat betwijfel ik. Ten zeerste. Vaak weten ze niet eens wat het werk van hun ouders precies inhoudt.

Studiekeuzetwijfels, studieswitch, studiestress.. Te vroeg wordt er een zelfkennis verlangd die er gewoonweg nog niet is. Zelfs neurologisch valt dat te verklaren: het brein is op die leeftijd nog niet zo ver ontwikkeld dat het dit zou kunnen. Maar de oplossingen moeten de jonge studenten zelf maar bedenken, want de trein rijdt gewoon verder en niemand wacht tot je een ervaring hebt opgedaan die helpend kan zijn. En dan ligt er tegenwoordig nog een sausje van het sociaal leenstelsel overheen.

Ik hoop dat we kunnen nadenken over een nieuwe inrichting van het systeem, het keuzemoment kan verlegd worden. Door invoering van een schakeljaar, een oriëntatiejaar, een reeks snuffelstages of andere manieren die de scholier (dus de aanstaande student) de kans kunnen geven aan beeldvorming te doe. En te komen tot keuzes die niet alleen meer succesvol zullen zijn, maar hopelijk ook bij kunnen dragen aan het persoonlijke levensgeluk in de nabije toekomst.

Reacties

De kwaliteit van het Nederlandse onderwijs staat ter discussie. Van basisschool tot hogeschool, opleidingen in Nederland bieden volgens de berichten niet voldoende kwaliteit. Dus wat is het antwoord van de regering? De inspectie erop afsturen en vervolgens maatregelen bedenken. Maatregelen die voor het basisonderwijs sinds enkele jaren maar één ding betekenen: alles, maar dan ook alles over iedere leerling moet vastgelegd worden in gecomputeriseerde bestanden.

Dus zitten leerkrachten van basisscholen uren aan hun computer. Ze moeten daarin werkelijk alles opslaan wat met iedere leerling gebeurt. Welke vorderingen er zijn, of juist niet. Welke problemen zich voordoen, met name wat de leerstof en de vaardigheden betreft. En de problemen van de leerlingen zijn talrijk, dus hebben de leerkrachten diverse scholingen gehad om deze problemen allemaal te kunnen herkennen en te labellen. Zodat het in het computersysteem herkenbaar weggezet kan worden. En er dan op diverse niveaus gewerkt kan worden: heel goede leerlingen, goede leerlingen, en minder goede leerlingen. De voorbereiding van een rekenlesje op drie niveaus vergt uiteraard ook wel wat meer tijd van de leerkracht van tegenwoordig dan het deed van de leerkrachten uit mijn tijd, de tachtiger jaren, die rechttoe rechtaan rekenles mochten geven.

Basisscholen zijn daarom blij met stagiaires. Stagiaires moeten zich bekwamen in het lesgeven, dus dat biedt de groepsleerkracht de kans om in de tijd dat de stagiaire de les verzorgt, weer achter de computer te gaan zitten en verder te gaan met het invullen van formulieren. Na schooltijd gaat dat door, en ’s avonds thuis na het avondeten ook. Vaak genoeg ook in het weekend, want je kunt blijkbaar nooit genoeg over een leerling vertellen. En met een groepsgrootte van 30 tot 35 leerlingen, heb je dan een behoorlijke portie informatie te verwerken.

Leerkracht in het basisonderwijs is op dit moment niet het meest gewenste beroep van Nederland. Jongeren kiezen massaal NIET voor de Pabo-opleiding. Enkele enthousiastelingen kiezen er bewust wél voor, maar velen van hen haken na één of twee jaar ook weer gedesillusioneerd af. Vraag hen maar waarom ze ermee stoppen. Is het omdat kinderen zo lastig zijn? Omdat ze niet willen, niet luisteren, niet aardig zijn, niet enthousiast zijn? Nee. Met de leerlingen is niks mis. Het onderwijssysteem daarentegen, daar is van alles mis mee. Het gaat namelijk helemaal niet meer over lesgeven. Het gaat alleen nog maar over informatie. En was het nou nog een goed betaald beroep, dan zou dat misschien nog enige motivatie kunnen opleveren. Maar helaas: in andere beroepen kunnen jongeren met veel minder moeite al gauw meer geld verdienen. Maar leerkrachten hebben  mooi wel altijd vrij met de schoolvakanties, wordt er dan gezegd. Nou, dat is dan ook wel nodig. En uit ervaring weet ik dat er dan stiekem thuis nog doorgewerkt wordt, omdat het systeem anders de informatie niet op tijd verwerkt. Maar goed.

Toen ik op de lagere school zat, had ik een leerkracht die naschools met ons sportte. Hij leerde ons handballen, basketballen en voetballen. Gewoon, omdat hij het leuk en ook nodig vond. Wij vonden het heerlijk. Meester John was altijd in voor een geintje, goedlachs en ontzettend sportief. En hij had een hart voor ons, we konden met alles bij hem terecht. Hij was bijna elke dag wel tot half zes ’s avonds op school. Maar niet om formulieren in te vullen en data te verwerken. Hij gaf zijn leerlingen iets mee dat computers nooit zullen kunnen geven: hartelijkheid. En daar ontbreekt het in onderwijsland ook op vandaag niet aan: er zijn nog steeds leerkrachten die met hun hart willen werken. Maar die zijn op school tot half zes ’s avonds vanwege het computerwerk.

Hartelijkheid, werken met je hart en niet met je hoofd. Dat is de reden waarom je kiest voor een beroep waarin je mede verantwoordelijk bent voor het welzijn van kinderen en jong volwassenen. En als je het mij vraagt kunnen veel van de tot in den treuren omschreven problemen van kinderen met dezelfde hartelijkheid opgelost worden. Als de leerkrachten daar weer tijd voor zouden mogen hebben, in plaats van zoveel tijd te verspillen aan verslagen en formulieren die niemand ooit meer zal lezen, dan lijkt het mij niet meer dan logisch dat de zo belangrijke kwaliteitscijfers binnen de kortste keren omhoog zouden schieten.

Aan het einde van het schooljaar worden er altijd klassenfoto’s gemaakt. Ik zou het toch heel mooi vinden als mijn dochter over twintig jaar de foto uit de la kan halen, kan kijken naar de stralende gezichten van leerlingen én meester, die zo hartelijk begaan was met zijn leerlingen. Maar ik vrees dat hij, als het zo doorgaat,  zal lachen als een spreekwoordelijke boer met kiespijn. Daar mag de regering dan heel trots op zijn. 

Reacties

De generatie studenten die tegenwoordig de banken bezet is niet te vergelijken met de studenten van dertig jaar geleden. Ik spreek nu in het algemeen, en dat is natuurlijk altijd lastig als je bedenkt dat ik werk in het HBO en dus alleen op basis van die ervaring kan redeneren. Zie het dan maar een beetje vanuit dat perspectief. Wat ik bedoel te zeggen, is dat er een discrepantie lijkt te zijn ontstaan in de verwachtingspatronen. U bedoelt?

Nou, van de ene kant verwachten studenten vaak iets anders dan de opleiding aanbiedt. En anderzijds verwacht de opleiding iets anders van de studenten dan zij te bieden hebben. De generatie die nu studeert, lijkt steeds vaker te maken hebben met sociale angst. Angst om in contact te treden met andere mensen (of het nou studenten of docenten zijn), bang om in een groep de aandacht op zichzelf te vestigen. Dat uit zich in slecht werkende samenwerking bij gezamenlijke projecten, in pijnlijke stiltes na een vraag van de docent in de klas, en al te vaak in helemaal niet meer naar school durven te gaan. Uit angst dat je iets verkeerd zou kunnen doen ook, faalangst dus. Zou dat misschien het resultaat kunnen zijn van de prachtige internetwereld waar zij in leven, denkt u?

De opleiding kijkt verbaasd toe. Begrijpt niet dat studenten zo weinig actief zijn, zo passief in de bank hangen en niet kunnen samenwerken. Docenten blijven dezelfde opdrachten van dertig jaar geleden als norm hanteren. Ze zien het probleem vaak niet, omdat ze zelf wél assertief zijn, en wél kunnen samenwerken. Er zijn ideeën genoeg over innovatie, over flipping the classroom en andere trends. Maar daarmee wordt de sociale angst niet perse minder. Docenten die als mentor worden ingezet, schrikken steeds vaker van de verhalen die de jonge studenten hen vertellen. Over hun thuissituaties, hun financiële omstandigheden, hun angsten en hun kwalen. Docenten voelen zich er niet prettig bij, en worden bijna in een vader- of moederrol gedrukt. En dat willen ze eigenlijk niet: ze willen lesgeven, kennis overdragen maar de rol van docent behouden. Kom zeg.

Sociologisch bekeken, is deze generatie studenten voor een deel (want heus, er bestaan ook nog heel gelukkige studenten die gewoon lekker studeren!) aan hun lot overgelaten. Met name door hun ouders, als we het goed gaan bekijken. De gescheiden ouders zijn talrijk, de moeders die niet meer goed als moeder functioneren zijn talrijk, de vaders die niet meebetalen aan de studiekosten zijn talrijk, en de depressieve klachten onder jongeren zijn net zo talrijk. De vroege jeugd wordt doorgebracht in een wereld ver van hun huis, in iPads, telefoons, laptops en tablets, die Game heet, of Whatsapp. Als ze maar niemand hoeven aan te kijken.. Eenmaal op kamers, wenden de studenten zich in het beste geval tot mentoren en studentendecanen, op zoek naar warmte en begrip. Gezien worden. Dat willen ze. En het vertrouwen krijgen dat ze oké zijn en dat het ook oké is als het niet lukt. In het slechtste geval is er geen mentor of durven ze niemand aan te spreken. Wat er dan volgt, is isolement.

Misschien zie ik het niet helemaal goed. Misschien is mijn blik teveel gekleurd door mijn dagelijkse praktijk. Eerlijk gezegd: ik hoop het van harte. Want ik wens dat elke jongere, elke student en ook elke docent, een mooi en vervuld leven kan hebben, met een opleiding waar ze enthousiast aan kunnen deelnemen. Kunnen we met zijn allen de verwachtingen misschien wat bijstellen, denkt u?

Reacties

Gisteren attendeerde een student me op een artikel van de NOS, over de aansluiting van de studies die gevolgd worden op de banen die te vinden zijn. Studeren we wel voor de baan van de toekomst? Vinden we wel werk in het beroepsveld van de gevolgde opleiding?

Tijdens Open Dagen verzorgen mijn collega-decanen en ik een voorlichting voor ouders. Daarin gaat het over de studiekeuze en wat het betekent om in het HBO te studeren. Mijn vraag aan de aanwezige ouders is dan: "Wie van u werkt vandaag nog in het beroep waarvoor u 20 à 30 jaar geleden bent opgeleid?" Persoonlijk vind ik dat het leukste moment van de presentatie, want ik zie mensen fronsen en blozen. Gemiddeld zijn er zo'n 80 ouders aanwezig bij mijn presentatie. Daarvan steken er na deze vraag 2 of 3 de hand in de lucht, en ik kan dan met gemak hun beroep raden: verpleger, arts, verzorgende, verloskundige. Mensen met een beroep dat bij hun roeping past. Bij de overige aanwezigen lijkt er dan een lampje te gaan branden. Inderdaad, we gaan na het afronden van de eerste studie het loopbaanpad op en nemen bochten en afslagen, waardoor we soms in beroepen en taken terecht komen die helemaal niets meer te maken hebben met onze eerste studie- of beroepskeuze. Maar zijn wel blij met wat we doen, omdat dit veel beter bij ons past: we hebben onszelf leren kennen - en hebben door de jaren heen steeds weer opleidingen, workshops en trainingen gevolgd om de nieuwe taken te kunnen uitoefenen.

Dus: hoe zwaar weegt dan die eerste studiekeuze? En hoe belangrijk is het dan dat de eerste baan die we vinden exact aansluit bij de gevolgde studie? Mijn ervaring is dat het werk- en denkniveau, naast athenticiteit, uiteindelijk de doorslag geeft - als het tenminste een baan betreft die geen specifieke (technische) kennis vraagt. De banen van de toekomst lijken dit wel te vragen - dus moeten er meer mensen geboren worden die aanleg en talent hebben voor techniek. Want dat heeft nou eenmaal niet iedereen.

Wat de toekomst betreft zal er rekening gehouden moeten worden met de opkomst van robotica en de toenemende inzet van humanoids. Een deel van ons menskrachten dreigt uiteindelijk een beetje overbodig te worden. ICT en techniek zijn vakgebieden waar het nog een tijdje goed zal gaan, maar helaas is dus niet iedereen gezegend met de aanleg om hier een bestaan mee op te kunnen bouwen. Niet leuk om te lezen misschien, maar binnen enkele tientallen jaren zal een deel van de mensheid een andere reden van bestaan moeten zien te vinden dan zijn of haar 'werk'. Om met die nieuwe omstandigheden om te kunnen gaan, zullen de nieuwe generaties steeds flexibeler en creatiever moeten worden. Tenslotte heeft de mens een zinvolle invulling van tijd nodig om zich enigszins gelukkig (of op zijn minst: tevreden) te kunnen voelen. Daarnaast zal er toch echt hard nagedacht moeten worden over de manier waarop inkomen gegenereerd en verdeeld wordt. Want als robots het 24/7 van ons kunnen overnemen zonder ziek te worden of zich te beklagen over arbeidsomstandigheden, waarom zouden werkgevers ons, dure mensen, dan onder contract houden?

Misschien zie ik het te zwart/wit of ben ik te negatief, maar laten we de druk van de studiekeuze nou eens afhalen door te beseffen dat de eerste studie niet meer dan een startpunt is en geen eindpunt. Dat om te beginnen. En als de intrinsieke motivatie bij de scholier ontbreekt om te gaan studeren, laat hem of haar dan de tijd nemen om te ontdekken wat de drijfveren voor het leven dan wél zijn. De gedachte dat het diploma zaligmakend is, is niet de hele waarheid. Ja, een diploma helpt op weg naar werk en inkomen. Maar wélk diploma? Uiteindelijk beslissen werkgevers bij de aanname voor een groot deel ook op basis van de uitstraling en (zoals gezegd) authenticiteit van de sollicitant. Wie jij bent, en of je goed in je 'pak' zit, dat kan het verschil maken in een wereld waar iedereen met minimaal 1 masterdiploma op zak naar dezelfde baantjes vist. Of jouw eerste baan dan exact past binnen de kaders van dat behaalde diploma? Who cares. De realiteit is dat je werk hebt, en je eigen inkomen verdient, en gestart bent met een loopbaanpad waarvan je nog niet alle kronkels kent. En je gaat jezelf en jouw talenten dan pas echt leren kennen. En dat is dan voorlopig dat - totdat de volgende bocht of afslag zich aandient.

Reacties

Er wordt in de publiciteit de laatste maanden steeds meer aandacht gegeven aan jongeren die overspannen of burnout zijn, depressief en zonder wil om te leven. Het is zeer triest dat jongeren deze ontwikkeling meemaken. De oorzaak van de ellende is een combinatie van de luxe omstandigheden waarin velen van ons verhoudingsgewijs leven, de sociale media die ‘geluk’ tot universeel streven hebben gebombardeerd, de ouders die qua opvoeding niet meer doen wat vorige generaties deden, het wegvallen van ‘ankers’ zoals geloof, en zo voorts.

Toch hoor ik ook een ánder geluid in de gesprekken die ik voer met studenten. Steeds vaker vertellen studenten dat ze het moe zijn, het nastreven van perfecte schoonheid en geluk. Ze zien heel goed wat de media proberen te doen, de beïnvloeding en de valse werkelijkheid. Ze bespeuren de ongemakken die ze naar aanleiding daarvan ervaren. Perfectionisme, faalangst, lage zelfbeelden. Ze worden er moe van en willen er eigenlijk niet meer aan mee doen. Ze gaan dan ook massaal ‘minderen’. Minder op alle fronten.

Snapchat viert hoogtij, Facebook is tanende. Waarom? Op snapchat kunnen foto’s geplaatst worden die slechts tijdelijk te zien zijn en ook niet met screenshots bewaard kunnen worden. Ze verdwijnen na een door de gebruiker zelf bepaald aantal seconden. Mijn kinderen (15 en 17 jaar) Snappen er lustig op los, en ik had het privilege eens te mogen meekijken. En wat blijkt? Er worden foto’s gedeeld van de minst mooie posities, de meest bleke gezichten en rare situaties. Het is de werkelijkheid die daar gedeeld wordt. Geen ‘altijd happy’ maar ook ‘gewoon zo’n dag als alle anderen’, daar op Snapchat.  Facebook zijn ze moe. ‘Daar staan alleen maar leugens op, ik weet best dat het niet zo goed met ze gaat als dat ze daar beweren..’ En de quotes zijn ook uitgemolken, zo lijkt het. ‘Be yourself!’ ‘Just be you!’ Hoe dan?

Ze realiseren zich ook steeds meer dat ze tijd winnen wanneer ze niet meer zoveel bezig zijn met onzinnige dingen. Dat ze ook meer focus hebben als ze de afleiding blokkeren. Steeds meer jongeren kopen mobiele telefoons waarmee ze echt alleen maar kunnen bellen en sms-en. Uit zelfbescherming tegen de negatieve invloeden die het internet heeft op hun tijdsbesteding én hun zelfbeeld, willen ze niet eens de optie Wifi meer op hun mobiel hebben. Steeds vaker hoor ik geluiden als: ‘ik doe niet meer mee met die onzin...’ en dat vind ik een positieve ontwikkeling.

Vanuit de jongeren zelf ontstaat er langzamerhand als vanzelf een afkeer van media. Niet alleen social media, ‘s maar ook commerciële TV-programma’s en sluikreclames kunnen steeds vaker rekenen op een druk op de ‘Off’-knop. Netflix daarentegen is populair: zelf kiezen waar je naar kijkt, én geen storende schreeuwerige reclames tussendoor – daar betaal je graag een tientje per maand voor. Wel weer uitkijken voor ‘binge-watching’, dan. Want teveel is nog steeds echt niet goed.

Ooit lieten Indianen zich verblinden door spiegeltjes die hen voorgehouden werden. Totdat ze beseften dat het slechts stukjes glas waren, die het licht van de zon weerkaatsten. Toen was de magie van de spiegels al snel voorbij, en lieten ze de prulletjes links liggen. Misschien is dat ook wat met Facebook (en andere media) is gebeurd: verblind door zoveel moois zijn we er massaal achteraan gelopen. Maar nu wordt langzaam duidelijk wat die sociale media nou eigenlijk met ons doen. En dan is de magie zo langzamerhand voorbij..

Afgaand op de geluiden die ik hoor vanuit de jongeren is de hoop op een generatie die rustig, zinvol en doelgericht bezig wil zijn met hun leven en met de wereld, toch niet vervlogen. Laten we vooral weer aandacht geven aan de positieve ontwikkelingen die er zijn. Initiatieven voor meer verbinding en rust duiken overal op, georganiseerd vanuit de jeugd zelf. Laten we dat vooral ZIEN en stimuleren, in plaats van het spotlicht steeds weer te richten op de negatieve ontwikkelingen.

‘Geluk is een stom streven,’ zei een studente laatst tegen mij, ‘ik ben gewoon tevreden. Dat is klein en overzichtelijk En dat is het beste wat me overkomen kan!’

Reacties

Online als we tegenwoordig zijn, moet ook het onderwijs mee in de vaart der dingen. Steeds meer scholen stappen dan ook over op het gebruik van e-books, en opdrachten worden al lang via mail of interne online systemen ingeleverd. Papier verdwijnt, dat schijnt zo te moeten. Direct gevolg hiervan is dat leerlingen in de lessen verschijnen met iPads, laptops en notebooks, inloggen op het wifi-netwerk van de school en dan aan de slag kunnen. Tot zover het plaatje zoals het bedoeld was: efficiënt en effectief.

En dan nu het plaatje zoals het er in de praktijk uitziet. Scholieren verschijnen op school (omdat dat nou eenmaal verplicht is), ploffen neer op hun plek, trekken hun iPad uit de tas en loggen in. Dan roepen ze naar hun vriend aan de andere kant van het klaslokaal welk spelletje ze gaan doen, en de pret kan beginnen. De docent begint de les, dat wil zeggen: begint stoïcijns het verhaal af te steken dat hoort bij de te behandelen stof, onaangedaan door het rumoer in de klas en houdt dat vol totdat het signaal komt dat de les beëindigd mag worden. Een handvol leerlingen doet een poging te begrijpen wat de docent zegt, maar heeft daar duidelijk moeite mee omdat het rumoer het betoog van de docent overstemt. De docent heeft door ervaring geleerd dat het geen enkele zin heeft de rumoermakers te willen afremmen: dat versterkt de strijdlust der opstandigen alleen maar. De docent kan het gedrag in de klas niet meer corrigeren, aangezien de leerlingen geen respect voor hem of haar hebben. Dat laten ze dag na dag opnieuw zien door hun ongeïnteresseerde gedrag en lakse houding.

Waar zijn we dan in godsnaam mee bezig? Dit is geen efficiënt lesgeven, dit is geen gebruik maken van de mogelijkheden maar een halfslachtige poging de middelen te gebruiken die er zijn.

Allereerst: waarom zijn studenten nog verplicht naar school te komen? (let wel: ik heb het niet over de middelbare scholieren, maar over MBO/HBO/universitair onderwijs). Ze zijn uiteindelijk toch zelf verantwoordelijk voor hun resultaten en moeten ook zelf kunnen inschatten of ze instructie nodig hebben, of ondersteuning. Laat studenten daarom intekenen op de cursus (het vak, nu even niet de schoolse ‘les’). Inschrijving betekent dat ze zichzelf verplichten te verschijnen in de lessen. Na inschrijving niet verschijnen? Dan geen examen. Niet inschrijven? Oke, dan mag je wel examen doen maar dan ben je zelf verantwoordelijk voor het hoe en wat van het studeerproces. Op deze manier houdt de docent zijn betoog vervolgens wellicht slechts voor een handvol studenten. Maar dat zijn dan wel de studenten die enigszins gemotiveerd zijn, waar misschien nog iets van een discussie mee aan te gaan is. Deze docent zal fluitend naar zijn of haar werk kunnen gaan, dat kan niet anders. Sterker nog: de docent zal aangezet worden om zelf ook meer energie in de toelichting van de lesstof te steken. En dat is precies wat echte docenten leuk vinden. Mooi meegenomen dus. Medestudenten zullen ook respectvoller met elkaar omgaan. Het is tenslotte hun bewuste keuze daar aanwezig te zijn, en wel allemaal met hetzelfde doel: een examen met (zeer) goed gevolg afleggen.

Dus geen aanwezigheidsplicht maar een aanwezigheidsrecht. Een recht waar je gebruik van kunt maken, maar wel met daaraan verbonden de plicht om te verschijnen en actief mee te doen. Dat uiteraard wel.

Op deze manier worden er uiteindelijk misschien minder studenten actief opgeleid, maar zal het kwalitatieve niveau van de studenten die afstuderen vele malen hoger kunnen zijn.

Waarom zou een docent de aantekeningen bij de stof niet online beschikbaar kunnen stellen? Mooie powerpoint, hupsakee. Youtube is beschikbaar voor een toelichtingsfilmpje, mogelijk ingesproken door de docent zelf.  De docent hoeft niet persee naar school te komen om les te geven. De vijf werkelijk gemotiveerde studenten kunnen met hem of haar skypen, facetimen, wanneer het maar uitkomt. En dan hebben we een plaatje zoals het bedoeld was: effectief en efficiënt.

Reacties
..en meer!

Mens&Taal

Mens-en-taal

Sittard
E-mailadres: menstaal@gmail.com
Mens: coaching, begeleiding & Taal: tekst, voordracht, opinie