100ProcentLizette
LS - LectoriSalutem!
Abonneren

Altijd 100Procent op de hoogte blijven? Abonneer je hier!

Laatste reacties
LizetteSchrijft

Wat ben ik blij met deze Minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschappen. Ze gaat het Bindend Studieadvies ter discussie stellen in het najaar. Maar ik kan verder gaan. Bijvoorbeeld: het bekostigingssysteem van het hoger onderwijs veroorzaakt de prestatiedruk en stress onder studenten én ook onder docenten. De student wordt geacht in vier jaar tijd de HBO-Bachelor te behalen. Wanneer er bijzondere omstandigheden een rol spelen in die vier jaren, mag de student er een jaar langer over doen. Maar dan? Duurt het (helaas) langer dan vijf jaar? Dan krijgt het opleidingsinstituut (!) een boete voor het langstuderen van de student. De omstandigheden van de student zijn echter in de meeste gevallen helemaal niet verwijtbaar. Het is namelijk niet zo dat het leven van studenten gedurende vier levensjaren stilstaat, dat er niets gebeurt in hun 'Umfeld'. Ouders scheiden, (stief-)vaders of moeders overlijden, vrienden plegen zelfmoord, er wordt een functionele beperking geconstateerd (tijdens de HBO periode wordt vaak pas duidelijk dat bv. ADD al die eerdere jaren dwars gezeten heeft), en ze zijn vatbaar voor depressies (goh hoe kan dat nou?) - ik noem maar wat voorbeelden uit de praktijk. Is dat verwijtbaar? Nee. Is het begrijpelijk dat deze student tijd nodig heeft om iets te verwerken en misschien hulp te zoeken? Opleidingen doen naar mijn ervaring hun uiterste best om studenten te begeleiden bij deze Levensschool-ervaringen die zich naast hun Hogeschoolervaring voordoen. Maar de tijd tikt. Niemand kan er iets aan doen: verwerking, trauma en chaos vergen tijd voor herstel. Maar de opleiding voelt de druk van het boetesysteem, en de student voelt de druk van de opleiding. Uiteindelijk ontstaat er een tendens om studenten die dreigen een zeer lange studievertraging te gaan oplopen, dan maar de deur uit te werken. Zonder diploma, hopelijk met enig soelaas van DUO met een verminderde studieschuld. 

Naar mijn mening deugt het systeem op dit punt niet, en is dit de hoofdoorzaak van veel ellende en stress bij alle partijen die bij onderwijs betrokken zijn. Lieve minister van Engelen. Misschien vindt u er zo snel niet de woorden voor (zoals ik lees in het artikel), maar u mag mijn woorden lenen. Al zijn ze dan misschien niet onderbouwd of doordacht, ik denk wel dat ze in de kern waar zijn.

Natuurlijk moet er een kader zijn. Voorwaarden mogen gesteld worden. Maar zo strak en op straf gericht als nu, dat is niet gezond. Voor niemand.

Reacties

Laat mij dan een prediker zijn. Een prediker van liefde. Laat mij u vertellen over dat leven liefde is.

Ik zag een documentaire over de Japanse onderwijzer Kanamori. Hij geeft les aan groep 6. Rekenen, Taal, karakters schrijven. Het bekende werk. Maar veel belangrijker dan dat is wat hij bovenaan zijn lesprogramma heeft staan: een band laten ontstaan tussen alle leerlingen van zijn klas. Vijfendertig in totaal. En hen laten zien wat liefde is. Liefde voor zichzelf, voor anderen en voor het leven.

De Japanse kinderen lijken in alles op onze kinderen. Hun gedrag in de klas, hun onstuimigheid, hun egoïsme, hun spontaniteit, hun bravoure. Hun meester echter lijkt niet op de onze. Hij observeert en geeft kinderen naast alle andere taken een bijzondere taak: dagelijks schrijven drie kinderen een brief aan de klas over wat zij ervaren hebben de dag ervoor. En in die brief schrijven ze wat hen geraakt heeft, waar ze boos van werden, of juist blij. Waar ze trots op zijn of zich juist voor schamen. Naar aanleiding van de brieven ontstaan er discussies in de groep. Kinderen herkennen zichzelf in de tekst, of juist niet. Spreken naar elkaar uit wat zij ervaren, niet als feit maar als gevoel. Spreken uit wat hen bezighoudt en terughoudt, wat het leven hen op deze jonge leeftijd al aan uitdagingen biedt. Zoals het verlies van een vader. Regelmatig vloeien er tranen. Maar één ding is wel erg opvallend: de klas is tijdens deze momenten muis, maar dan ook muisstil. Iedereen richt zijn aandacht op het gezegde, en op de gevoelens die het met zich meebrengt. Iedereen kijkt naar zijn of haar eigen hart en dat van de ander.

Kanamori leert de kinderen de belangrijkste les van het leven: ze leren kijken naar zichzelf, kijken naar hun hart. En niets is moeilijker dan dat. Het is niet makkelijk om in je eigen hart te kijken. Maar je zult je eigen kwetsbaarheid moeten ontdekken om een band met anderen aan te kunnen gaan. Je kwetsbaarheid tonen. In de Japanse schuldcultuur, waar harakiri toch vanuit de traditie het antwoord was op gemaakte fouten, staat er nu een onderwijzer op die tegen de leerling zegt: toon je kwetsbaarheid. En tegen de groep: aanvaard de kwetsbaarheid van je vrienden en steek een helpende hand toe. Pas wanneer je je kwetsbaarheid hebt getoond zullen je naasten het voor je opnemen en je beschermen. Getuige van deze stelling is het moment waarop een leerling door meester Kanamori gestraft wordt wegens het voortdurend kletsen en giechelen tijdens de les (dat komt de Nederlandse onderwijzer beslist bekend voor). De leerling mag niet deelnemen aan het middagprogramma, wat een absolute beloning voor hard werken zou worden. De leerlingen hadden hier erg naar uitgekeken. De gestrafte leerling, Yo, zou in de klas moeten blijven terwijl zijn vrienden vlotten gingen bouwen. Yo barstte in tranen uit. Meester Kanamori wachtte zwijgend de reacties af. Schoorvoetend ontstond er een protest. Eén leerling nam het voortouw, een ander vulde het aan.  De klasgenoten vonden de straf niet passen bij de zonde. En uit protest tegen deze straf zouden zij zelf dan ook niet deelnemen aan de vlottenrace. De advocaten van de gestrafte leerling huilden zelf terwijl zij spraken. De pijn van Yo was daarmee ook hun pijn. Meester Kanamori’s hart moet beslist sneller geslagen hebben toen hij de reacties hoorde. Zijn doel was bereikt, de band was ontstaan. De groep was belangrijker dan het individu. Maar zonder het individu was er ook geen groep. De kracht van ‘samen’.

Zijn dit belangrijke lessen voor leerlingen van 10 jaar? Lijkt mij wel. Behalve alle tafeltjes van voren naar achteren te kunnen opdreunen, lijkt mij zeker in de huidige tijd, dat het laten zien en voelen wat echt leven inhoudt nu belangrijker is dan ooit. Dat liefde en het delen daarvan noodzaak is om te kunnen overleven. Dat kwetsbaarheid niet betekent dat je hulpeloos bent. Dat niets in dit leven zeker is, dat je geen garanties krijgt. En dat het goed is na te denken over het leven en jouw rol daarin. Dat vriendschap ontstaat door elkaars gevoelens te respecteren. Oog hebben voor elkaar is het geheim om gelukkig te worden. Gelukkig zijn vanuit het diepst van je hart.

Ik vertel niets nieuws. Het is een eeuwenoud verhaal dat veel te vaak verkeerd geïnterpreteerd wordt. De wereld heeft predikers nodig. Laat mij er dan één zijn. Geef de draad door, dan breekt het lijntje niet.

Reacties

“Mijn vader heeft al Engels gestudeerd maar die doet nu iets heel anders, die is webdesigner..”, zo onderbouwde de 18-jarige studente haar besluit om na afloop van de middelbare school toch niet te kiezen voor een WO studie Engelse Taal- en Letterkunde. “Dus, als ik het goed begrijp, vind jij dat jouw vader in zijn studiekeuze gefaald heeft. Want nu doet hij iets heel anders dan waarvoor hij gestudeerd heeft?” “Ja, eigenlijk wel.” Daarom heeft zij gekozen voor een meer gerichte beroepskeuze: Vertaler. Nog steeds vindt ze Engels het leukst, Spaans niet zo, het vertalen niet per sé. Maar om nou een studie te kiezen waarin je je uitsluitend richt op één taal, zoals haar vader gedaan heeft... De beroepsontwikkeling van haar vader toont in haar ogen aan dat dit geen goede gang van zaken zou opleveren: dan blijf je niet bij je eerste keuze. En heb je dus eigenlijk gefaald.

Een voorbeeld uit mijn praktijk als studentendecaan: eerstejaars studenten die halverwege het studiejaar niet helemaal zeker meer zijn van hun studiekeuze. Om allerlei redenen, overigens. Maar dat de ontwikkeling van het beroepsleven van de ouders op deze manier de studiekeuze kan beïnvloeden, dat had ik zelf nog niet bedacht. Op open dagen vraag ik ouders vaak of ze nu nog werken in het beroep waarvoor ze ooit gestudeerd hadden. Elke keer weer wordt dan bevestigd dat het merendeel van de ouders na het afstuderen iets heel anders is gaan doen. Dat het beroepsleven zich door de jaren heen in andere richtingen ontwikkeld heeft. Tenzij ze arts of verpleger zijn, die zijn in de wieg gelegd om te doen wat ze doen en blijven dat doen. Waar ik mij nog niet zo van bewust was is het aspect dat de kinderen het veranderen van beroep dus blijkbaar zien als een manier van falen: de eerste keuze heeft duidelijk niet gewerkt. En dat was toch wel de bedoeling?

De ouders hebben hun beroepskeuze veranderd door de jaren heen. Dat bevestigt voor de jonge kiezers dat de studiekeuze die aan de eerste beroepskeuze vooraf ging dus niet goed was. De beroepskeuze wordt immers aan onze 14- en 15-jarigen voorgesteld als iets definitiefs: als je kiest voor een opleiding, kies je definitief ook voor dat beroep. De werkelijkheid is echter weerbarstig: de koers van het leven, de ontwikkelingen in de economie, de persoonlijke groei – allemaal factoren die er toe kunnen leiden dat de eerste beroepskeuze gaandeweg herzien wordt. En dan kan een Taal- en Letterkundige twintig jaar later zomaar veranderd zijn in een webdesigner. Een ontwikkeling die dus inderdaad vrij ‘normaal’ te noemen is.

Daarmee is de studiekeuze en de twijfel over deze eerste keuze onmiddellijk te relativeren: je kunt nu een keuze maken, maar dat betekent niet dat je voor de rest van je leven in dat métier actief zult blijven. Gaandeweg stuur je bij, om allerlei redenen waarvan ‘ervaring’ geen onbelangrijke is. Dat is een normaal gegeven, dat is geen falen. Dat is ontwikkeling. Met deze insteek vermindert de druk van de eerste studiekeuze ook drastisch: je eerste studie is een beginpunt, en geen eindpunt. Het einde van het loopbaankeuzeproces is na ja afstuderen nog lang niet in zicht!

Eigenlijk is de studiekeuze of beroepskeuze die op de middelbare schoolleeftijd gemaakt wordt beter te zien als de eerste stap in een ‘loopbaankeuzeproces’, dat zich vanaf dan nog tientallen jaren zal blijven ontwikkelen. Steeds weer volgen er nieuwe stappen, nieuwe keuzes en komen er nieuwe opleidingen en trainingen op het levenspad. Pas na vele, vele jaren kan iemand dan hopelijk zeggen dat hij of zij zich steeds meer ontwikkeld heeft in een richting die echt goed past. Om dat al van iemand te verwachten die pas 16 of 17 jaar is, dat is wel heel erg veel.

“Heb jij jouw vader al eens gevraagd hoe het kan dat hij nu webdesigner is geworden?” “Nee, eigenlijk niet.” “Begin daar eens mee. En vraag dan ook je ooms en tantes maar eens wat ze doen en wat ze gestudeerd hadden, ooit.” De studente zucht. “Dit lucht wel op zeg. Ik ga hier eens goed over nadenken, mevrouw.” De Vertaalacademie lijkt plotseling toch niet zo’n slechte keuze, geeft ze aan. Misschien kan ze van daaruit ook nog andere dingen gaan doen, straks..  Waarom ook niet. Het leven is één groot groeiproces, met bochten en kronkels die ‘ontwikkeling’ heten. Ze is pas 18 jaar. Wie weet..

Reacties

De smartphone bestaat sinds 1992. Dankzij internet is het een onmisbaar item geworden, voor iedereen is er wel een reden waarom een smartphone een uitkomst is. Communiceren en bereikbaar zijn is er veel eenvoudiger door geworden, we kunnen er mee navigeren en eten bestellen. Maar oei, wat is het moeilijk om dat ding weg te leggen.. De ontwikkeling van apps ging razendsnel en voordat we het wisten konden we middels Whatsapp en een internetverbinding oneindig veel met elkaar communiceren – praktisch gratis.

Het valt me op dat veel mensen sindsdien moeite hebben met –letterlijk-  afstand nemen. Ze ontvangen en verzenden berichten en foto’s aan de lopende band, zijn zich niet meer bewust van hun gedrag. Overal, maar ook echt óveral, is de smartphone te vinden in de hand. Als iemand het verzonden bericht gezien heeft (af te lezen aan de blauwe vinkjes in de app), dan wordt er vanuit gegaan dat er ook meteen gereageerd wordt. Oh wee als dat niet direct gebeurt. Groot ongeduld. Maar ook ontzettende ongerustheid. Hoe dan ook: onrust, in het algemeen. Tussen geliefden (die willen weten wat de ander aan het doen is, en vooral wat die doet op de ‘foon’), tussen werkgevers en werknemers (‘jij bent altijd bereikbaar wanneer ik jou nodig heb’) , tussen vrienden (‘hee, waarom geef je geen antwoord…!!’), en tussen ouders en kinderen (‘lieverd, gaat het wel goed daar?’). De blauwe vinkjes kunnen ook uit gezet worden, dan is dus niet waarneembaar of het bericht gelezen is. Dat verschaft de ontvanger wat respijt. Maar de zender krijgt er soms een punthoofd van. “Waarom antwoord je nou niet?!”

Hoe rustig was het in de jaren dat ik opgroeide, merk ik op. Op de middelbare school had ik wat vrienden, we praatten in de pauzes de oren van elkaars hoofd. Na school fietsten we naar huis, gingen daar onze eigen dingen doen. De volgende dag kwamen we dan weer naar school en daar waren onze vrienden dan ook weer. Als we thuis waren en we wilden even contact met die vrienden, dan moesten we onze ouders vragen of we even mochten bellen. Dat mocht, maar ‘hou je gesprek kort en bondig, de tikken kosten veel geld!’. Toen ik later ging studeren (in de periode kort vóór de introductie van internet en smartphones), was er op de gang in mijn studentenflat een gemeenschappelijke keuken, gemeenschappelijke toiletten, een gemeenschappelijke wasmachine én een gemeenschappelijke telefoon. Daar hing een blocnote naast en een potlood aan een touwtje, en op de blocnote stond een rijtje voornamen met daarachter een getal: de verbruikte tikken. De tikkenmeter hing in de meterkast, en daar las je vooraf het startgetal af, en na je gesprek het eindgetal. Aan het einde van de maand kwam de telefoonrekening, en één van de bewoners die als beheerder was aangewezen, ging dan met ieder afrekenen. Behalve dat het relatief duur was, was de privacy ook gering: de telefoon hing open en bloot in de gang, dus iedereen kon (als die daar interesse in had) meeluisteren met jouw gesprek. Zo ging dat, en dat was normaal. Eens per week belde ik naar huis, op woensdag om 20.00 uur stipt. Dan praatte ik mijn moeder snel even bij en hing weer op. Ik moest mijn problemen zelf zien op te lossen en kon niet voor elk wissewasje mijn ouders benaderen. Dat heeft me een zekere mate van zelfstandigheid opgeleverd, die me later vaak goed van pas is gekomen. Dat besef ik nu pas, hoor. Op dat moment vond ik de vrijheid en onafhankelijkheid werkelijk waar heerlijk. Even geen moeder die over mijn schouder meekeek of mijn spullen nakeek. Dat kon op die manier, omdat ik geen noemenswaardige problemen had, dat besef ik.

Tegenwoordig raken ouders al in paniek als hun studerende kind niet binnen 12 uur online is geweest en geen virtueel teken van leven geeft. Terwijl dat kind gewoon bezig is zijn of haar eigen leven te leiden. Tenslotte zijn ze dan al 18, 19 jaar oud.. dus een bepaalde mate van zelfstandigheid en onafhankelijkheid mag wel aanwezig zijn. Kinderen moeten zich nou eenmaal losmaken van het ouderlijk nest, uitvliegen om af en toe weer binnen te vallen. Uitpuffen en opnieuw vliegen.

Mensen hebben de rare neiging hun kinderen te willen vasthouden tot ze meer dan volwassen zijn. Begrijpelijk, wanneer dat kind ondersteuning nodig heeft. Maar in het geval dat uw kind eigenlijk reëel gezien geen zorgondersteuning behoeft: doe hem/haar en uzelf een plezier. Laat ze (ook per sociale media) met rust. U geeft ze de kans om te leren, vooral van hun fouten. En dat is echt ergens goed voor. U heeft het tenslotte zelf toch ook overleefd?

Reacties

Een paar jaar geleden zag ik een documentaire over een leraar in Japan*. De man had een stralende reputatie, was een zeer geliefd meester. En waarom? Omdat hij lesgaf met hart en ziel, met open ogen, open oren en een open hart. En vooral: omdat hij de leerlingen zijn vertrouwen gaf. Het vertrouwen dat ze alles zouden kunnen leren, als ze dat wilden. En dat de kracht nu juist in het vertrouwen lag, en in de band tussen de klasgenoten. De leerlingen leken zich te verheugen op elke dag dat ze weer naar school mochten gaan. Ze voelden zich gezien, gehoord en geliefd. Er was een grote vertrouwensband niet alleen tussen leerkracht en leerlingen maar ook tussen de leerlingen onderling. 

Een paar jaar geleden ontdekte ik ook het één en ander over het Finse onderwijssysteem. Inmiddels hebben veel media hier verslag over gedaan, mogelijk heeft u er zelf ook al iets over gehoord. Wat mij frappeerde in het hele systeem is dat het allemaal draait om (alweer) vertrouwen.  Er is geen onderwijsinspectie, men vertrouwt erop dat de docenten er alles aan doen om de leerlingen op de meest doeltreffende, juiste wijze te begeleiden. Docenten zijn universitair geschoold, en hebben aanzien. Dat betekent dat ouders erop kunnen vertrouwen dat deze mensen hun kinderen op de best mogelijke manier onderwijzen.

Zo langzamerhand kom ik er achter dat VERTROUWEN het sleutelwoord is. Wanneer mensen het vertrouwen krijgen, zelfvertrouwen maar ook het vertrouwen van een ander, dan gaan de prestaties de betere kant op. In het onderwijs met name, omdat hier met jonge mensen gewerkt wordt die volop in ontwikkeling zijn. En juist zij hebben vertrouwen nodig: ze moeten allereerst de onderwijzers kunnen vertrouwen - en op de kennis van de onderwijzers. Daarnaast moet er vertrouwen in de (jonge) leerlingen zijn. Het vertrouwen dat ze daadwerkelijk de wil hebben en in staat zijn te leren, veel te leren van wat ze nodig hebben om een zinvol leven te leiden. Wat dat zinvolle leven dan inhoudt, zullen ze gaandeweg gaan ontdekken wanneer ze met vertrouwen en in vertrouwen, op eigen wijze hun levenslessen mogen leren.

Een onderwijssysteem dat gebaseerd is op vertrouwen kent geen inspecties, geen onnodige (stressvolle) audits, geen afrekensysteem. Een vertrouwenrijk systeem stoelt op kwaliteit van leerkrachten, op normen en waarden en op een positieve visie ten aanzien van de mogelijkheden die elk mens heeft om zich te ontwikkelen - op welk niveau dan ook. 

In Nederland heerst helaas nog teveel de Calvinistische mentaliteit. We moeten bloed, zweet en tranen zien voordat we geloven dat iets goed is. Docenten en directies zijn door de angst voor de controlewaanzin en rendementsdruk tot het uiterste gedreven en hebben tot overmaat van ramp het vertrouwen verloren in het leeuwendeel van de aanstormende jeugd die door prestatiedruk ook niet meer weet waar ze het moet zoeken. Het tij moet keren, en snel ook. De toekomst waarin Artificial Intelligence ons als mensen overbodig dreigt te maken, schreeuwt om vertrouwen. Mensen zullen een berg vertrouwen nodig hebben in zichzelf en het leven, om een weg te vinden in een wereld waarin de baangaranties niet langer bestaan. Onze kinderen kunnen namelijk niet allemaal ICT-er worden. Een flexibele, creatieve manier van denken en leven is wat de toekomstige generaties nodig zullen hebben. En wanneer is een mens het meest flexibel en creatief? Juist. Wanneer hij bulkt van het vertrouwen!

 

* De Japanse Levensles - de klas van Mr. Toshiro Kanamori (Youtube)

 

Reacties

Wat een ongelooflijk goed leven hebben wij, hier in Nederland. Kijk nou eens om je heen. Is het dan allemaal zo erg? Natuurlijk zijn er ziektes waardoor mensen erg moeten lijden - maar we hebben wel de mogelijkheden om hen zorg te bieden en hen de kans te bieden op genezing. Al lijken die mogelijkheden minder toegankelijk en duurder te worden: vergeleken met de zorg in andere landen, gaat het in Nederland nog goed. En mogen we daar blij mee zijn? Ja, daar mogen we blij mee zijn. Want in sommige zogenaamd welvarende landen kunnen mensen niet eens de benzine voor hun auto betalen die nodig is om naar het ziekenhuis te reizen voor hun chemo-behandeling. Wij bellen een taxi en dat wordt vergoed door de (weliswaar steeds duurdere) verzekering. In veel andere landen is een zorgverzekering gewoonweg onbetaalbaar. En dan houdt alles op.

Natuurlijk zijn er in Nederland mensen die balanceren op de rand van de afgrond, door armoede en gebrek aan mogelijkheden om daar uit te stappen. Maar nog steeds is het sociale systeem zo dat er een vangnet is. De situatie kan escaleren, maar als zwerver op straat landen - daar komt nog wel wat bij kijken in ons land. De financiële basis lijkt wel steeds dunner te worden, maar vergelijk het eens met een land als Amerika en je komt tot de conclusie dat het hier nog niet zo slecht geregeld is. Wij denken na over een basisinkomen, waardoor armoede bestreden kan worden. Het is een luxe als een land het zich kan permitteren haar minder kansrijke burgers een basisinkomen te gunnen. Met de aantekening dat ook de meest kansrijke burgers datzelfde basisinkomen zullen krijgen, volgens het principe.

Middelbare scholieren klagen over hun leraren en school in het algemeen. Dat is geen nieuws, dat is al decennia lang zo. Maar is het geen luxe dat ze allemaal de kans hebben om naar school te gaan? De tijd van de kolenmijnen is voorbij, jongens van veertien hoeven nu niets anders te doen dan hun kont elke werkdag naar de schoolbanken te verslepen. Maar soms is zelfs dat te veel gevraagd en klagen ze steen en been over de martelgang naar school. Landen genoeg in de wereld waar jongens van die leeftijd het vuilste werk moeten doen voor een ampel (of geen) loon. Kiezen? Liever niet.

Het is Kerstvakantie. Zelfs de hele week na Oud en Nieuw hoeft de helft van Nederland niet naar school of werk. Zich verheugend op de vakanties die dit jaar nog gaan volgen: voorjaar, zomer, herfst. We beseffen niet genoeg hoe bijzonder dat is. Ga maar werken in het beloofde land, Amerika. Dan heb je geen verlofdagen, alleen dagen dat je zonder betaald te worden ‚vrij’ neemt.

Het hoeft wat mij betreft niet anders. Wat er anders moet is dat we wat meer bewust mogen zijn van het enorme voorrecht dat we hier hebben op vrijwel elk gebied. Wij kunnen ons druk maken over of we wel ‚gelukkig’ zijn. Wij kunnen ons druk maken over of we onszelf wel zijn, of we ons optimaal ontwikkelen en alles uit het leven halen wat er in zit. Wij kunnen het ons zelfs permitteren om in bed te blijven liggen, zwelgend in zelfmedelijden, als het even tegen zit. We zijn depressief temidden van ontelbare mogelijkheden en weelde. En misschien veroorzaakt de weelde nou juist het gros van de depressies die Nederland rijk is. Waren we maar wat minder verwend, dan konden we misschien tevreden zijn. 

Het gegeven dat er schoon water door onze kranen stroomt als we ze open draaien, zou ons moeten doen dansen van geluk.

Reacties

Ooit was studeren iets voor de besten van de klas, de studiehoofden die zich wilden verdiepen in onderwerpen voorbij de grens waar de anderen de interesse in het onderwerp al lang verloren waren. Ooit waren beroepsopleidingen bedoeld om mensen met een aanleg of interesse voor een vakgebied voldoende vaardigheden, analytisch vermogen en inzicht aan te leren om op een hoger niveau in een bedrijf of bij de overheid te kunnen functioneren. Studeren was een saaie bezigheid, waar je tot wel zeven jaren mee mocht vullen (of langer), waardoor je goddank ook genoeg ruimte had om je een paar keer per week te laten vollopen bij je plaatselijke dispuut. Soms waren de plannen van de schoolmeesters en –juffen dat Petertje toch écht moest gaan studeren, maar dan had Petertje hele andere plannen. En dan ging hij met zijn handen werken. Je denkt toch niet dat hij jarenlang met zijn neus in de boeken wilde zitten? Kom nou!

Waarom heb ik nu het gevoel dat HBO-scholen tegenwoordig volstromen met beginnende studenten die het als vanzelfsprekend beschouwen dat ze na het behalen van hun HAVO-diploma gaan studeren. Het is een beetje studeren-om-het-studeren geworden. Je moet in elk geval iets kiezen dan, zodat je kunt gaan studeren. Iets, gewoon iets. Niet uit interesse of omdat je zo gemotiveerd bent om meer te weten van dat vakgebied. Maar omdat je later nou eenmaal een betere baan krijgt als je dat HBO-diploma – of nog liever: die Master! - in je zak hebt.

Hou me ten goede: er zijn nog steeds studenten die absoluut wél geïnteresseerd en zeer gemotiveerd zijn. Dat mag ook gezegd worden (en zou misschien wel eens wat meer benadrukt mogen worden in de media). Deze studenten maken de gekozen HBO Bacheloropleiding binnen 4 jaar af, stromen door naar de wetenschappelijke opleidingen voor een 1 of 2-jarige Master en gaan dan de arbeidsmarkt op. Klinkt probleemloos en in sommige gevallen is het dat ook, echt. Zijn dít dan de mensen die voldoen aan het ideale profiel van een HBO-student? Ja, dit zijn de mensen waarvan we graag klassen vol in alle opleidingen zouden willen hebben. Maar de realiteit is dat het percentage studenten dat zónder enige vertraging HBO-WO doet, én meteen een bij de opleiding passende baan vindt, klein is in verhouding tot de massa’s studenten die als jonge honden in het propedeusejaar van de betreffende lichting van start zijn gegaan. Wat dus dientengevolge betekent dat de propedeusejaren vól zitten met beginnende studenten die blijkbaar bij voorbaat al níet aan het uitstroomprofiel voldoen.

Dan is de opleiding aan de beurt om het percentage geslaagde doorstromers uiteindelijk zo hoog mogelijk te laten eindigen. Dat verwacht de overheid van de instituten, daar worden ze op afgerekend. De studenten willen het met name ‘leuk’ hebben. Het moet wel ‘leuk’ zijn om hier te studeren. En er moet ook genoeg ‘leuks’ georganiseerd worden zo nu en dan, om het ‘leuk’ te houden. Daar werken ze liever niet zelf aan mee, dat mogen anderen doen. Het moet wel ‘leuk’ blijven. En is een vak niet ‘leuk’, dan worden er klachten ingediend. Of worden lessen simpelweg niet bijgewoond, omdat het niet ‘leuk’ is om in een les te zitten als je ook koffie kunt drinken op de loungebanken van de hippe catering.

Ik krijg jeuk van ‘leuk’. Het leven is niet ‘leuk’. Het leven is soms gewoon bikkelen op je tandvlees. Omdat het móet, niet omdat het ‘leuk’ is. Misschien zit ik er heel erg ver naast, en als dat zo is dan hoor ik het graag, maar is het niet allemaal een beetje te ‘leuk’ geworden? Open Dagen en introductieweken waarin alles uit de kast getrokken wordt om te laten zien dat het écht heel ‘leuk’ is allemaal. ‘Leuk’ studeren omdat het nou eenmaal kan, niet omdat je dat zo graag wilt, betekent dat je intrinsieke motivatie waarschijnlijk minimaal is. Of op zijn minst niet erg groot. En dan red je de minder ‘leuke’ vakken niet..  De eerste herkansingen zijn vooral ook ‘niet leuk’, dan.  En een Bindend Afwijzend Studieadvies is al helemaal niet leuk.

Terugkomend op waar ik ben begonnen met dit relaas: ‘leuk’, we kunnen allemaal gaan studeren in het HBO zodra we de HAVO afgesloten hebben met een diploma, zelfs al de resultaten niet ruim voldoende waren. Maar de vraag is: móet dat?

Reacties

Gisteren attendeerde een student me op een artikel van de NOS, over de aansluiting van de studies die gevolgd worden op de banen die te vinden zijn. Studeren we wel voor de baan van de toekomst? Vinden we wel werk in het beroepsveld van de gevolgde opleiding?

Tijdens Open Dagen verzorgen mijn collega-decanen en ik een voorlichting voor ouders. Daarin gaat het over de studiekeuze en wat het betekent om in het HBO te studeren. Mijn vraag aan de aanwezige ouders is dan: "Wie van u werkt vandaag nog in het beroep waarvoor u 20 à 30 jaar geleden bent opgeleid?" Persoonlijk vind ik dat het leukste moment van de presentatie, want ik zie mensen fronsen en blozen. Gemiddeld zijn er zo'n 80 ouders aanwezig bij mijn presentatie. Daarvan steken er na deze vraag 2 of 3 de hand in de lucht, en ik kan dan met gemak hun beroep raden: verpleger, arts, verzorgende, verloskundige. Mensen met een beroep dat bij hun roeping past. Bij de overige aanwezigen lijkt er dan een lampje te gaan branden. Inderdaad, we gaan na het afronden van de eerste studie het loopbaanpad op en nemen bochten en afslagen, waardoor we soms in beroepen en taken terecht komen die helemaal niets meer te maken hebben met onze eerste studie- of beroepskeuze. Maar zijn wel blij met wat we doen, omdat dit veel beter bij ons past: we hebben onszelf leren kennen - en hebben door de jaren heen steeds weer opleidingen, workshops en trainingen gevolgd om de nieuwe taken te kunnen uitoefenen.

Dus: hoe zwaar weegt dan die eerste studiekeuze? En hoe belangrijk is het dan dat de eerste baan die we vinden exact aansluit bij de gevolgde studie? Mijn ervaring is dat het werk- en denkniveau, naast athenticiteit, uiteindelijk de doorslag geeft - als het tenminste een baan betreft die geen specifieke (technische) kennis vraagt. De banen van de toekomst lijken dit wel te vragen - dus moeten er meer mensen geboren worden die aanleg en talent hebben voor techniek. Want dat heeft nou eenmaal niet iedereen.

Wat de toekomst betreft zal er rekening gehouden moeten worden met de opkomst van robotica en de toenemende inzet van humanoids. Een deel van ons menskrachten dreigt uiteindelijk een beetje overbodig te worden. ICT en techniek zijn vakgebieden waar het nog een tijdje goed zal gaan, maar helaas is dus niet iedereen gezegend met de aanleg om hier een bestaan mee op te kunnen bouwen. Niet leuk om te lezen misschien, maar binnen enkele tientallen jaren zal een deel van de mensheid een andere reden van bestaan moeten zien te vinden dan zijn of haar 'werk'. Om met die nieuwe omstandigheden om te kunnen gaan, zullen de nieuwe generaties steeds flexibeler en creatiever moeten worden. Tenslotte heeft de mens een zinvolle invulling van tijd nodig om zich enigszins gelukkig (of op zijn minst: tevreden) te kunnen voelen. Daarnaast zal er toch echt hard nagedacht moeten worden over de manier waarop inkomen gegenereerd en verdeeld wordt. Want als robots het 24/7 van ons kunnen overnemen zonder ziek te worden of zich te beklagen over arbeidsomstandigheden, waarom zouden werkgevers ons, dure mensen, dan onder contract houden?

Misschien zie ik het te zwart/wit of ben ik te negatief, maar laten we de druk van de studiekeuze nou eens afhalen door te beseffen dat de eerste studie niet meer dan een startpunt is en geen eindpunt. Dat om te beginnen. En als de intrinsieke motivatie bij de scholier ontbreekt om te gaan studeren, laat hem of haar dan de tijd nemen om te ontdekken wat de drijfveren voor het leven dan wél zijn. De gedachte dat het diploma zaligmakend is, is niet de hele waarheid. Ja, een diploma helpt op weg naar werk en inkomen. Maar wélk diploma? Uiteindelijk beslissen werkgevers bij de aanname voor een groot deel ook op basis van de uitstraling en (zoals gezegd) authenticiteit van de sollicitant. Wie jij bent, en of je goed in je 'pak' zit, dat kan het verschil maken in een wereld waar iedereen met minimaal 1 masterdiploma op zak naar dezelfde baantjes vist. Of jouw eerste baan dan exact past binnen de kaders van dat behaalde diploma? Who cares. De realiteit is dat je werk hebt, en je eigen inkomen verdient, en gestart bent met een loopbaanpad waarvan je nog niet alle kronkels kent. En je gaat jezelf en jouw talenten dan pas echt leren kennen. En dat is dan voorlopig dat - totdat de volgende bocht of afslag zich aandient.

Reacties

Er wordt in de publiciteit de laatste maanden steeds meer aandacht gegeven aan jongeren die overspannen of burnout zijn, depressief en zonder wil om te leven. Het is zeer triest dat jongeren deze ontwikkeling meemaken. De oorzaak van de ellende is een combinatie van de luxe omstandigheden waarin velen van ons verhoudingsgewijs leven, de sociale media die ‘geluk’ tot universeel streven hebben gebombardeerd, de ouders die qua opvoeding niet meer doen wat vorige generaties deden, het wegvallen van ‘ankers’ zoals geloof, en zo voorts.

Toch hoor ik ook een ánder geluid in de gesprekken die ik voer met studenten. Steeds vaker vertellen studenten dat ze het moe zijn, het nastreven van perfecte schoonheid en geluk. Ze zien heel goed wat de media proberen te doen, de beïnvloeding en de valse werkelijkheid. Ze bespeuren de ongemakken die ze naar aanleiding daarvan ervaren. Perfectionisme, faalangst, lage zelfbeelden. Ze worden er moe van en willen er eigenlijk niet meer aan mee doen. Ze gaan dan ook massaal ‘minderen’. Minder op alle fronten.

Snapchat viert hoogtij, Facebook is tanende. Waarom? Op snapchat kunnen foto’s geplaatst worden die slechts tijdelijk te zien zijn en ook niet met screenshots bewaard kunnen worden. Ze verdwijnen na een door de gebruiker zelf bepaald aantal seconden. Mijn kinderen (15 en 17 jaar) Snappen er lustig op los, en ik had het privilege eens te mogen meekijken. En wat blijkt? Er worden foto’s gedeeld van de minst mooie posities, de meest bleke gezichten en rare situaties. Het is de werkelijkheid die daar gedeeld wordt. Geen ‘altijd happy’ maar ook ‘gewoon zo’n dag als alle anderen’, daar op Snapchat.  Facebook zijn ze moe. ‘Daar staan alleen maar leugens op, ik weet best dat het niet zo goed met ze gaat als dat ze daar beweren..’ En de quotes zijn ook uitgemolken, zo lijkt het. ‘Be yourself!’ ‘Just be you!’ Hoe dan?

Ze realiseren zich ook steeds meer dat ze tijd winnen wanneer ze niet meer zoveel bezig zijn met onzinnige dingen. Dat ze ook meer focus hebben als ze de afleiding blokkeren. Steeds meer jongeren kopen mobiele telefoons waarmee ze echt alleen maar kunnen bellen en sms-en. Uit zelfbescherming tegen de negatieve invloeden die het internet heeft op hun tijdsbesteding én hun zelfbeeld, willen ze niet eens de optie Wifi meer op hun mobiel hebben. Steeds vaker hoor ik geluiden als: ‘ik doe niet meer mee met die onzin...’ en dat vind ik een positieve ontwikkeling.

Vanuit de jongeren zelf ontstaat er langzamerhand als vanzelf een afkeer van media. Niet alleen social media, ‘s maar ook commerciële TV-programma’s en sluikreclames kunnen steeds vaker rekenen op een druk op de ‘Off’-knop. Netflix daarentegen is populair: zelf kiezen waar je naar kijkt, én geen storende schreeuwerige reclames tussendoor – daar betaal je graag een tientje per maand voor. Wel weer uitkijken voor ‘binge-watching’, dan. Want teveel is nog steeds echt niet goed.

Ooit lieten Indianen zich verblinden door spiegeltjes die hen voorgehouden werden. Totdat ze beseften dat het slechts stukjes glas waren, die het licht van de zon weerkaatsten. Toen was de magie van de spiegels al snel voorbij, en lieten ze de prulletjes links liggen. Misschien is dat ook wat met Facebook (en andere media) is gebeurd: verblind door zoveel moois zijn we er massaal achteraan gelopen. Maar nu wordt langzaam duidelijk wat die sociale media nou eigenlijk met ons doen. En dan is de magie zo langzamerhand voorbij..

Afgaand op de geluiden die ik hoor vanuit de jongeren is de hoop op een generatie die rustig, zinvol en doelgericht bezig wil zijn met hun leven en met de wereld, toch niet vervlogen. Laten we vooral weer aandacht geven aan de positieve ontwikkelingen die er zijn. Initiatieven voor meer verbinding en rust duiken overal op, georganiseerd vanuit de jeugd zelf. Laten we dat vooral ZIEN en stimuleren, in plaats van het spotlicht steeds weer te richten op de negatieve ontwikkelingen.

‘Geluk is een stom streven,’ zei een studente laatst tegen mij, ‘ik ben gewoon tevreden. Dat is klein en overzichtelijk En dat is het beste wat me overkomen kan!’

Reacties

Onlangs bezocht ik de eindpresentaties van de Talentklassen van de toneelopleidingen die de Westelijke Mijnstreek rijk is. Het was een zonnige zaterdagmiddag, en de drie voorstellingen van de drie scholen beloofden aan de hand van de titels heel wat. Bijzonder ook, om dit mee te maken want de thema’s die voorbij kwamen reflecteerden de (be-)leefwereld van deze jongeren optimaal. Een aantal ouders had zowaar kaartjes gekocht om de voorstellingen te zien. Vreemd genoeg was er bij twee van de drie voorstellingen beduidend minder publiek dan bij die ene, die pas een jaar bestaat.

Welke thema’s er ‘bespeeld’ werden, vloeide voort uit maanden lang met elkaar praten, overleggen, uitproberen en bedenken. Bij de eerste en de laatste voorstelling herkende ik overlappingen, in theatertechniek, maar vooral in thematiek.  De solovoorstellingen die tussendoor door de talentvolle ‘laatstejaars’ werden gegeven, zetten de thema’s nog eens extra neer. Zo krijgt het publiek een indruk van wat die jongeren beweegt. Waarvan akte:

“Ik wil gezien worden. Ik wil dat ouders zien wie ik ben, wie ik echt ben, en mij accepteren. Dat ze trots op me zijn, zelfs als ik niet zoals hen ben.

Ik wil weten dat ik leef. Wat is dood? Hoe voelt dat? Maar: wat is leven dan? Hoe voel ik dat ik leef? En wat moet ik weten om ‘goed’ te kunnen leven? Wanneer weet ik genoeg?

Hoe ben ik een perfect mens? Moet ik aan al die verwachtingen voldoen die ouders en school voor mij bedenken? Of mag ik gewoon ‘zijn’? Wacht, hier is de handleiding, de handleiding om een perfect mens te zijn – een blanco pagina...

Ik doe hard mijn best om gezien te worden. Maar niemand komt spontaan naar mij kijken. Mijn vader ben ik (soms al jaren) kwijt, mijn moeder heeft geen tijd en tantes, ooms, neven en nichten komen ook niet naar mij kijken als ik hen vraag.”

Prangend. Prikkend. Het publiek moet het wel gevoeld hebben. En dan volgt uiteindelijk de conclusie:

“Uiteindelijk zal ik moeten leren mijzelf te zien. Mijzelf te accepteren en zelfs van mij te houden. Dan voel ik dat ik besta, dat ik leef. En ben ik mijn perfecte ik. Gewoon, zoals ik ben.”

Door de thema’s door middel van dramatechnieken door te werken, komen ze zelf tot het antwoord: niet wachten op de aandacht, goedkeuring of bevestiging van anderen. Bij jezelf blijven, goed weten wie je zelf bent en daarmee aan de slag gaan. Kijken hoe ver je kunt komen met je mooiste dromen! En het is aan ons, opvoeders, leerkrachten en docenten, om deze jongeren daar mee te helpen. Niet duwen of trekken. Begeleiden. Groot respect voor de toneeldocenten van deze opleidingen. Zij zien en horen alle verhalen en begeleiden de jongeren bij het doorwerken er van. Toneelles volgen is zoveel meer dan leren reciteren! Zoveel is wel duidelijk.

Dus: allemaal op toneel? Dat weet ik niet. In elk geval wél allemaal meer aandacht voor de Grote Ontdekking van Jezelf-toernee. Ergens tussen je 10e en 18e levensjaar.

Gezien: BFF (Jong Laagland), Le Nozze de Figaro (Theaterschool LEF), Ik ben Atalanta (Theaterschool Westelijke Mijnstreek), Stadsschouwburg Sittard, zaterdag 17 juni 2017.

Reacties

Halverwege mijn drie weken durende detox-periode maak ik de balans op. Facebook, Messenger en Instagram heb ik verbannen uit mijn leven. Waar ze het eerste waren wat ik op een dag bekeek, en het laatste waar ik maar al te vaak mee afsloot, zijn ze nu heel ver op de achtergrond geraakt in mijn dagelijkse leven.

Wat levert een SM-loze periode op? Men voorspelde mij dat ik me veel beter zou gaan voelen, dat ik meer rust zou gaan ervaren en dat ik meer focus zou gaan krijgen bij de dingen die ik doe. En ik kan je vertellen: dat klopt. Allemaal. Al na anderhalve week merkt mijn omgeving dat ik rustiger ben en met meer aandacht gesprekken volg. Ik moet bekennen dat ik niet ‘handy-free’ ben. Mijn mobiel is nog steeds aanwezig en ik gebruik het ding om te Whatsappen, mails te zien en te beantwoorden, en een paar vermaledijde spelletjes te spelen. Wordfeud en CandyCrush, zeg ik met schaamrood op mijn kaken. Een leven zonder mobiele telefoon, dat is een stap die mij tegenwoordig te ver gaat. En dat is op zich dan ook wel weer vreemd. Want ooit waren we helemaal niet altijd bereikbaar, en werden telefoontikken geteld want bellen was duur. Daarom mocht ik als kind alleen bellen als het echt dringend was. Dus niet om zomaar een lusteloos “Enne?” in de hoorn te fluisteren, zoals mijn kinderen nu “Hoestie?” naar elkaar tikken in Whatsapp. Of wat het dan ook is dat ze de godganselijke dag door appen.

Geen berichten, weinig tot geen nieuwsberichten ook, geen ruis op mijn kanaal. Ik moet zeggen dat het leven zonder al die invloeden best goed is. Ik hoef er geen last van te hebben dat er in de verre en nabije wereld allerlei ellendigheid is. Die is er ook als ik er niet van af weet, en ik me niet aangesproken voel door zoveel leed. Ik voel me niet schuldig, niet medeplichtig, ik ben geen voyeur. Ik ben gewoon bezig met mijn eigen kleine leven en dat van de mensen die dicht bij mij staan. Meer niet.

Ik lees trouwens nu, in al die tijd die ik mezelf cadeau gegeven heb, een boek over de invloed van muziek op het brein, geschreven door Oliver Sacks. Een dikke pil, kan ik je zeggen. Het bracht mij op een gedachte. Als muziek al zo’n grote invloed heeft op het brein (gewild én ongewild), wat doet de voortdurende berichtenstroom via de diverse media, die overal om ons heen, en zomaar in onze hand is, dan met ons?

Mijn detox-periode duurt nog anderhalve week. Of ik daarna de draad weer oppak? Eigenlijk weet ik dat nu nog niet. De stilte, de rust, eigenlijk bevalt dat wel. We zullen zien wat de komende week aan ervaringen brengt..

 

PS. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ik wel 1 keer op Facebook geweest ben. Om tags te verwijderen uit berichten waar ik niet om gevraagd had. Oh ja. Dat doen mensen op Facebook. Zucht.

Reacties

“Soms word ik moe van de wereld. Ik wil alleen maar rust, een rustig leven met een parttime baan en een kleine woning en natuur om me heen. Maar de wereld wil dat ik veel meer doe. Ik moet veel geld verdienen en belasting betalen als ik straks afgestudeerd ben. Maar eigenlijk wil ik gewoon een rustig leven. Meer niet.”

Zomaar een dag als studentendecaan. Ik spreek gemiddeld 8 jonge mensen per dag. Ik werk fulltime, dus gemiddeld spreek ik 40 jonge mensen per week. Van die jonge mensen wil de helft graag met mij praten omdat  ik de persoon ben die de tijd heeft om te luisteren. Ik hoor aan wat er door ze heen gaat, waar ze mee worstelen – of juist niet. Velen van hen zijn depressief, komen hun huis en hun bed niet uit. Voelen zich overspoeld door alles wat er van ze verwacht en gevraagd wordt, kunnen dat niet  aan en komen uiteindelijk helemaal niet meer tot handelen. Uit overmacht van alles wat er volgens hen, van hen verwacht en verlangd wordt. Dan heb ik het toch wel over zo’n 8 studenten per week die dit bij mij melden.

De quote hierboven komt van een dergelijke student. Eerstejaars, pas begonnen aan een uitdagende studie. Op de middelbare school (HAVO) een goede leerling, hij kon de lesstof makkelijk aan en was altijd de beste. Maar wel een jongen met  een kwetsbaarheid. Hij had al vroeg last van depressieve klachten en heeft therapie doorlopen bij een psycholoog. Nu is hij verhuisd naar Maastricht en zijn familie is trots op hem, reuze trots. ‘Onze jongen studeert in Maastricht!’ Dat maakt wel indruk op een verjaardagsfeestje van familie. Die jongen zit radeloos in zijn kamer en durft niet naar buiten. Buiten wordt er namelijk van alles van hem verwacht waarvan hij betwijfelt of hij dat allemaal wel kán. En dat verlamt hem volledig.

Niet alle studenten zijn zo kwetsbaar, natuurlijk en gelúkkig niet. Maar er is sprake van een behoorlijke toename in het aantal studenten met depressieve klachten. De verwijzingen naar psychologen die decanen per week doen, vertonen een stijgende lijn. Zijn we nog wel goed bezig als iedereen móet studeren, vraag ik me af? Is dit de bedoeling?

Een ouderejaars student deelde een andere zorg met mij. Hij zou graag een afstudeerstage doen, maar moet nu voor een premaster gaan kiezen, ‘want zonder Master maak ik al helemaal geen kans meer op werk!’ Is dit écht de bedoeling, vraag ik me af?

Zonder Masterdiploma zijn kansen op werk geringer aan het worden. HBO alleen is als opleidingsachtergrond geen garantie meer voor een baan. Maar wat als er straks alleen nog maar mensen met Masterdiploma’s zijn? Er is geen wetenschappelijk onderzoek voor nodig om te bedenken dat het aantal Masterbanen op een gegeven moment ook op is, toch?

Gaan we dan al die mensen een bijstandsuitkering geven? En ze daar vertellen dat ze niet voldoen en meer moeten solliciteren? Of ze wasknijpers in elkaar laten draaien als alternatief? Moe van de wereld.. wat gaan we daar met zijn allen aan doen?

Reacties

De generatie studenten die tegenwoordig de banken bezet is niet te vergelijken met de studenten van dertig jaar geleden. Ik spreek nu in het algemeen, en dat is natuurlijk altijd lastig als je bedenkt dat ik werk in het HBO en dus alleen op basis van die ervaring kan redeneren. Zie het dan maar een beetje vanuit dat perspectief. Wat ik bedoel te zeggen, is dat er een discrepantie lijkt te zijn ontstaan in de verwachtingspatronen. U bedoelt?

Nou, van de ene kant verwachten studenten vaak iets anders dan de opleiding aanbiedt. En anderzijds verwacht de opleiding iets anders van de studenten dan zij te bieden hebben. De generatie die nu studeert, lijkt steeds vaker te maken hebben met sociale angst. Angst om in contact te treden met andere mensen (of het nou studenten of docenten zijn), bang om in een groep de aandacht op zichzelf te vestigen. Dat uit zich in slecht werkende samenwerking bij gezamenlijke projecten, in pijnlijke stiltes na een vraag van de docent in de klas, en al te vaak in helemaal niet meer naar school durven te gaan. Uit angst dat je iets verkeerd zou kunnen doen ook, faalangst dus. Zou dat misschien het resultaat kunnen zijn van de prachtige internetwereld waar zij in leven, denkt u?

De opleiding kijkt verbaasd toe. Begrijpt niet dat studenten zo weinig actief zijn, zo passief in de bank hangen en niet kunnen samenwerken. Docenten blijven dezelfde opdrachten van dertig jaar geleden als norm hanteren. Ze zien het probleem vaak niet, omdat ze zelf wél assertief zijn, en wél kunnen samenwerken. Er zijn ideeën genoeg over innovatie, over flipping the classroom en andere trends. Maar daarmee wordt de sociale angst niet perse minder. Docenten die als mentor worden ingezet, schrikken steeds vaker van de verhalen die de jonge studenten hen vertellen. Over hun thuissituaties, hun financiële omstandigheden, hun angsten en hun kwalen. Docenten voelen zich er niet prettig bij, en worden bijna in een vader- of moederrol gedrukt. En dat willen ze eigenlijk niet: ze willen lesgeven, kennis overdragen maar de rol van docent behouden. Kom zeg.

Sociologisch bekeken, is deze generatie studenten voor een deel (want heus, er bestaan ook nog heel gelukkige studenten die gewoon lekker studeren!) aan hun lot overgelaten. Met name door hun ouders, als we het goed gaan bekijken. De gescheiden ouders zijn talrijk, de moeders die niet meer goed als moeder functioneren zijn talrijk, de vaders die niet meebetalen aan de studiekosten zijn talrijk, en de depressieve klachten onder jongeren zijn net zo talrijk. De vroege jeugd wordt doorgebracht in een wereld ver van hun huis, in iPads, telefoons, laptops en tablets, die Game heet, of Whatsapp. Als ze maar niemand hoeven aan te kijken.. Eenmaal op kamers, wenden de studenten zich in het beste geval tot mentoren en studentendecanen, op zoek naar warmte en begrip. Gezien worden. Dat willen ze. En het vertrouwen krijgen dat ze oké zijn en dat het ook oké is als het niet lukt. In het slechtste geval is er geen mentor of durven ze niemand aan te spreken. Wat er dan volgt, is isolement.

Misschien zie ik het niet helemaal goed. Misschien is mijn blik teveel gekleurd door mijn dagelijkse praktijk. Eerlijk gezegd: ik hoop het van harte. Want ik wens dat elke jongere, elke student en ook elke docent, een mooi en vervuld leven kan hebben, met een opleiding waar ze enthousiast aan kunnen deelnemen. Kunnen we met zijn allen de verwachtingen misschien wat bijstellen, denkt u?

Reacties

Je zult maar 16 zijn en geen idee hebben van wat je later worden wilt. Je zult die eindstreep van de middelbare school maar zien naderen, elke dag weer een beetje dichterbij. En dan? Dan moet je HET dus weten. HET. Wat je worden wilt, later.. Al sinds je veertiende worden er testen voor je neus gelegd, met rare vragen waarvan jij al begrijpt waar dat heen gaat, en waar je dus niet te wenselijk op wilt antwoorden. De uitslagen van die testen zeggen je ook al niks, want de beroepen in dat lijstje daar kun je je al helemaal niks bij voorstellen. En dan je ouders, die steeds weer met een mening komen en jou vooral de keuze willen laten. Welke keuze? Je kunt niet kiezen als je niet weet waar je heen wilt gaan. Je zult maar 16 zijn, met geen enkel idee.

Ooit waren we allemaal 16. En eerlijk? Wie van ons hadden er wel een duidelijk beeld van wat ze later wilden worden? Wel ook even echt terug gaan in dat geheugen: je was 16 en… je had je eerste baantje, misschien. Of je eerste vriendinnetje. Je mocht voor het eerst op stap, uitgaan. Je was relatief veel bezig met de vraag: ‘Wat vinden ze van mij?’ Ze, dat kon zo’n beetje iedereen wel zijn. Het laatste wat je dacht was: ‘Wie ben ik?’ En al helemaal niet: ‘Wat kan ik?’ Laat staan: ‘Wat wil ik?’ Dat zijn ‘ouders-vragen’. Geen ‘16-vragen’. Uitzonderingen daargelaten, want een sporadische enkeling wist het verdomde goed en liet zich daar niet vanaf brengen, met wisselend succes zoals later zou blijken. Hoewel daar ook uitzonderlijke succesverhalen uit voortgekomen zijn, laat dat duidelijk zijn.

Ooit waren we allemaal 16. Reddeloos en radeloos verloren in verwachtingen die anderen van ons hadden, en die we ook van onszelf hadden. We zijn toen een weg ingeslagen, een opleiding gaan volgen (of niet!). En wat daarna kwam? Vaak genoeg een kronkelende weg die we ‘carrière’  zijn gaan noemen. Een CV vol bochten. In elk geval zien CV’s er in het gros van de gevallen een beetje wisselend uit. En dat zal voor de 16-jarigen van nu nog veel meer het geval zijn. Want een baan waar je na 40 jaar nog een lintje voor krijgt wegens volgehouden dapperheid, die bestaat niet meer. Ze zullen flexibel moeten zijn, onze jongeren. En creatief in het bedenken van wat zij met hun kwaliteiten kunnen betekenen voor de maatschappij. De maatschappij, dat is meer dan bedrijven. Want ze zullen meer dan ooit zelfstandig een manier moeten kunnen bedenken om hun kost te verdienen.

Weet jij nog wat je vroeger wilde worden, toen je 16 was? En ben je dat ook werkelijk geworden? Hoe heb jij dan gekozen, destijds? Jeetje hè. Als je daar even bij stil gaat staan, besef je ineens weer hoe moeilijk dat eigenlijk was, 16 zijn. En je weet inmiddels ook dat het achteraf wel meevalt. En dat de reis niet lijnrecht van A naar B gaat. En dat is maar goed ook, want hoe mooi was jouw uitzicht, onderweg?

Reacties

Kiezen voor een opleiding is kiezen voor een beroep. Een keuze die al vroeg in de schoolcarrière gestuurd wordt: door middel van Cito-scores wordt zo rond het elfde of twaalfde (!) levensjaar bepaald welke voortzetting het onderwijs zal krijgen. Ouders hopen op een qua niveau zo hoog mogelijk vervolg, want hun kroost dient maatschappelijk succesvol te worden. Hierover kunnen we nog eens een boompje opzetten, want wat is dat: ‘maatschappelijk succes’?

Los daarvan: na het basisonderwijs wordt de opleiding vervolgd op een niveau dat aansluit op de Cito-scores. Niet lang daarna wordt de beroepskeuze-vraag gesteld. ‘Wat wil jij worden? Weet je dat nog niet?’ De scholier is een jaar of 14 als dit antwoord opgehoest moet kunnen worden. Je weet het niet? Dan volgen testen en gesprekken en onderzoeken. Want er móet iets gekozen worden als vervolg op het inmiddels voortgezette onderwijs. Uiterlijk op 18-jarige, maar vaak ook al op 16-jarige leeftijd, moet bekend zijn in welke richting deze adolescent zich wil gaan ontwikkelen. Een beroep ‘naar keuze’. Lukt het om met succes de eindstreep van het voortgezet onderwijs te behalen, dan kan begonnen worden met het kiezen van een Middelbare, maar liever nog een Hogere Beroepsopleiding.

Nu is de trend binnen de beroepsopleidingen geworden de volgende eis te stellen aan de vers binnengekomen studenten: een ‘professionele houding’. Een houding waarvan wordt aangenomen dat het bedrijfsleven deze wenst te zien van haar werknemers.

 

Valt u iets op in dit verhaal? Nee? Dan zal ik een parallel proberen te leggen met iets dat er op lijkt.

Als jong meisje, opgroeiend in een Limburgs gezin met een vader die zeer actief spelend lid was van fanfares en harmonie-orkesten, ging ik een Algemeen Muzikaal Vormende opleiding (kortweg: AMV)volgen. Dat kon al op 9-jarige leeftijd, en bestond uit twee jaar leren noten lezen en blokfluit spelen. Aan het einde van die twee jaren werd de inzet beloond met een diploma en werd mij een instrument overhandigd: een trompet. Niets had mij treuriger kunnen stemmen, want mijn zus speelde al trompet. En ik wilde graag saxofoon spelen, maar daar had de fanfare op dat moment geen oren naar. Ik wist niets af van het bespelen van een trompet, noch van een saxofoon of een xylofoon wat dat betreft. Ik had nog nooit een instrument aangeraakt (behalve de blokfluit), en er werd aan mij geen keuze gelaten. Er werd van mij verwacht dat ik een jaar of drie hard ging oefenen om dan in het orkest te mogen gaan meespelen op de trompet.  Later heeft mijn vader er voor gezorgd dat ik alsnog een saxofoon in handen kreeg, aangezien het tranendal van frustratie waarin ik terecht gekomen was, te diep was geworden. Daarnaast dreigde ik mijn motivatie om überhaupt nog een instrument te leren bespelen, te verliezen. Maar dit terzijde.

Mijn zoon heeft, de traditie voortzettend, óók AMV les gehad. Maar: deze opleiding duurde slechts 1 jaar, bestond uit zowel blokfluit- als keyboardles, en hij mocht elke twee maanden instrumenten beluisteren en bespelen. Hij mocht praten met ervaren spelers en beginnende spelers over hoe wel of niet moeilijk het bespelen van dit instrument was, enzovoort. Zo kreeg hij een duidelijk beeld van wat hij wel en niet interessante instrumenten vond. Zijn keuze mocht hij aangeven, een drietal, en daaruit werd in overleg met de vereniging bepaald op welk instrument hij zich verder zou gaan bekwamen. Nooit een traan gezien, nooit spijt gehad, nooit opnieuw hoeven te beginnen. Hij speelt nog steeds, en fanatiek ook.

Wat is nou de parallel die ik bedoel? Wel, dat is de volgende: als we van (zeer) jong volwassenen verwachten dat ze een beroepshouding laten zien, waarom geven we ze dan niet eerst de kans kennis te maken met dat beroep, in de praktijk? Zodat ze een beeld hebben bij wat er dan bedoeld wordt met die ‘houding’? En niet alleen dat: kennis maken met wat dat woord ‘manager’ in de praktijk aan werk met zich meebrengt. Bijvoorbeeld. Naar mijn mening heeft een scholier die net het diploma HAVO op zak heeft, nog niet echt een concreet beeld van de praktijk in het bedrijfsleven: tot dat moment heeft hij/zij hopelijk wel een bijbaantje gehad, maar of daarmee al voldoende duidelijk is wat er nou precies van ze verwacht wordt in het HBO? Dat betwijfel ik. Ten zeerste. Vaak weten ze niet eens wat het werk van hun ouders precies inhoudt.

Studiekeuzetwijfels, studieswitch, studiestress.. Te vroeg wordt er een zelfkennis verlangd die er gewoonweg nog niet is. Zelfs neurologisch valt dat te verklaren: het brein is op die leeftijd nog niet zo ver ontwikkeld dat het dit zou kunnen. Maar de oplossingen moeten de jonge studenten zelf maar bedenken, want de trein rijdt gewoon verder en niemand wacht tot je een ervaring hebt opgedaan die helpend kan zijn. En dan ligt er tegenwoordig nog een sausje van het sociaal leenstelsel overheen.

Ik hoop dat we kunnen nadenken over een nieuwe inrichting van het systeem, het keuzemoment kan verlegd worden. Door invoering van een schakeljaar, een oriëntatiejaar, een reeks snuffelstages of andere manieren die de scholier (dus de aanstaande student) de kans kunnen geven aan beeldvorming te doe. En te komen tot keuzes die niet alleen meer succesvol zullen zijn, maar hopelijk ook bij kunnen dragen aan het persoonlijke levensgeluk in de nabije toekomst.

Reacties

Mijn oudste zit op de middelbare school, en herleeft daar alles wat ik zelf ook meegemaakt heb. Ongelooflijk, hoe weinig er eigenlijk veranderd is. Daar had ik eigenlijk wel meer van verwacht.. met de huidige kennis over hoe informatieverwerking in de hersenen plaatsvindt, wordt kennelijk nog steeds weinig verrassends gedaan. Nog steeds is de docent er vooral om te vertellen wat er in het boek staat (!) en is er niets leuker voor de leerlingen dan uit te proberen waar de grens ligt bij de docent. ‘Es kijken hoe we hem/haar aan het huilen kunnen krijgen…’ is de grootste uitdaging van de dag. Nog steeds!

Iets anders waar die oudste van mij de laatste maand mee te maken kreeg, is de vermaledijde Beroepskeuzetest: de Ilias. Herinnert u zich die nog? Je bent amper 14 en krijgt een lange reeks vragen voorgeschoteld waar je nog niet de helft van begrijpt. ‘Vind je het leuk om offertes uit te brengen?’… geen idee. Wat is dat? Vaak hebben jongeren op die leeftijd nog geen enkel beeld van wie zij zijn, of wat er allemaal te doen is in de wereld. Ze moeten antwoord geven op vragen die voor hun gevoel over futuristische waanbeelden gaan. Het resultaat van de test levert onherkenbare algemeenheden op. Ik herinner me overigens dat mijn test destijds eindigde met op stip, als meest geschikte beroep voor ondergetekende: HOVENIER. U kent mij niet persoonlijk, maar als er iets is waar ik niks mee heb.. ik kon er dus helemaal niets mee.

Mijn oudste heeft wat dat betreft met zijn analyse de spijker op zijn kop geslagen. Het is namelijk zo: deze jongeman heeft al lang een vast voorgenomen toekomstbeeld. Hij is de uitzondering, ook wat dat betreft. Hij wil beroepsmuzikant worden. En dat wil hij met volle overtuiging. De beroepskeuzetest op school wilde hij aangrijpen om dat nog maar eens goed duidelijk te maken. Maar: in de hele lijst vragen kwamen slechts twee vragen voor die met zijn interesses te maken hadden. De rest van de vragen waren inhoudelijk voor hem niet duidelijk, of vaag. ‘Hoe kan ik nou als uitslag mijn voorkeur krijgen, met deze vragen?’, was zijn – naar mijn mening terechte – commentaar. Al met al dus nauwelijks een mogelijkheid om in de buurt van zijn werkelijke beroepswens te komen. De uitslag: met stip op 1 het meest geschikte beroep voor hem: advocaat. En laat dat nou juist het beroep zijn waar hij afkerig van is!

Zijn analyse zette mij wel aan het denken. De beroepskeuzetest die wijdverspreid wordt gebruikt in middelbare scholen is dus wel degelijk inzetbaar als direct invloedsmiddel voor de beroeps- en daarmee samenhangende opleidingskeuzes die jongeren maken. Door de samenstelling van de vragenlijst wordt de uitkomst voorspelbaar, en manipuleerbaar. Meer vragen met betrekking tot techniek? Dan krijgen naar verhouding meer jongeren een uitslag met beroepen in de technische sfeer. Hier kan de overheid er dus in een vroeg stadium al voor zorgen dat jongeren kiezen (of juist NIET kiezen) voor bepaalde sectoren. En voor de MBO en HBO opleidingen die daar bij horen.

‘Ja, maar dat is toch juist goed,’hoor ik u denken. ‘Dan kiezen ze tenminste een beroep waar ze later ook werk mee kunnen krijgen!’. Niets is minder waar. Er bestaan geen zekerheden meer op dat gebied. Laat die gedachte maar los. We hobbelen inmiddels van het ene tijdelijke contract naar het andere, vaste aanstellingen zijn schaars en daarnaast ook al niet meer zo zeker. De sectoren waarin nog werk te krijgen is, worden met de dag minder groot. Meer krimp dan groei, behalve in medische techniek, logistiek en agrofood. En dat is nou eenmaal, zeg maar, niet iedereen zijn of haar ding. Denk groot, denk in mogelijkheden. En laat dat beginnen op die middelbare school, waar het invullen van beroepskeuzetesten beter acuut vervangen kan worden door kortdurende kennismakingsstages bij bedrijven en instellingen. Het keuzemoment moet zo laat mogelijk in de leerroute plaatsvinden. Of misschien zelfs daar buiten. Laat jongeren eerst eens beleven, groeien en uitproberen. Zeg nou zelf, wat wist u toen u 14 was over het werk dat u vandaag doet? Dat bedoel ik.

Reacties

Prestaties en faalangst: wat was er eerst? De kip of het ei? Zijn mensen faalangst gaan ontwikkelen omdat ze er stiekem van genoten zichzelf omlaag te halen? Lijkt me sterk. Veel meer zal het te maken hebben met verwachtingen die mensen creëren voor zichzelf maar die vaak ook vanuit het zogenaamde Umfeld (de directe sociale omgeving) worden opgelegd. Is de meestgestelde vraag bij een eerste kennismaking niet maar al te vaak: „En wat voor werk doe je?” Daar hoort dan een sociaal acceptabel antwoord op te volgen. Aan jongere mensen wordt gevraagd wat ze studeren of wat ze later willen worden. Dat vinden we normale vragen, nietwaar?

Met alle mogelijkheden die jongeren tegenwoordig lijken te hebben is het niet persé ook eenvoudiger geworden. In tegendeel: het is een hele opgave om door de schoolperiode heen te komen. Bepaalde schoolvakken dienen verplicht gevolgd te worden, dat heeft de overheid zo bepaald. Om een reden: de gemiddelde prestatie van Nederlanders op het gebied van rekenen en taal was abominabel, daar moest drastisch iets aan gedaan worden. Dus pijnigen duizenden scholieren zichzelf nu met voor hen onmogelijke opgaves. Rekenen tot je hoofd er pijn van doet, ook al is het totaal niet jouw ding en ben je ook niet van plan er ooit jouw ding van te gaan maken. Je moet presteren, of je wilt of niet.

De manier waarop deze gedwongen prestaties geleverd moeten worden, en de manier waarop scholieren hierin begeleid worden, kan bepalend zijn voor zoveel meer dan alleen het verbeteren van de prestatie. De leerling die uitsluitend beoordeeld wordt op het resultaat van de geleverde prestatie kan het uiteindelijk niet langer opbrengen de prestatie nog te leveren, laat staat  dat deze leerling enige aandrang zou voelen om tot een verbeterde prestatie te willen komen.

Bijvoorbeeld: een leerling oefent thuis hard op het onthouden van de tafeltjes. U kunt zich de tafeltjes wellicht nog herinneren: 1 x 1 = 1, 2 x 1 = 2 etcetera. Misschien heeft u nog persoonlijke herinneringen aan dit leerproces. In het tegenwoordige onderwijs worden goede leerlingen beloond met een heus diploma voor het memoriseren van tafeltjes. Naast het diploma voor veters strikken is het tafeltjesdiploma een ware mijlpaal in de schoolcarrière geworden. Een feest als het de leerling betreft die weinig moeite heeft met het onthouden van deze verder inhoudsloze informatie. Maar een ramp voor de leerling die het nut niet kan inzien en de vaardigheid ontbeert om dergelijke rijtjes voor langer dan een paar seconden te onthouden. Deze leerling maakt enkele fouten en ontvangt daarom geen diploma. Een afgang ten overstaan van de gehele klas. Waarna de leerling een terechte hekel aan het vak rekenen ontwikkelt en alleen al huivert bij de gedáchte aan wiskundelessen in het voortgezet onderwijs.

Welnu: het kan anders. De leerling zou niet een diploma moeten krijgen voor het foutloos memoreren van hele rijtjes sommen, maar een dikke beloning voor de gedane moeite tot dusver. Plus een motiverend begeleidend woord, dat hij of zij écht bijna aan de eisen kan voldoen en daarom alleen al een absolute kei is. Eens kijken of het lukt om er morgen nog één meer te onthouden. Spannend! Ook hier zullen niet alle leerlingen meteen gevoelig voor zijn, maar daar ligt dan de taak van de begeleider om uit te zoeken wat dan wél motiverend kan werken.

In deze tijd waarin we allemaal dagelijks aan de Grote Rekenmachine, ook wel computer, zitten, kan ik mezelf overigens niet meer helemaal overtuigen van het grote nut van het memoriseren van rekentafeltjes. Maar dat terzijde. In ons prestatiegerichte onderwijs worden zelfs de erg slimme kinderen niet gestimuleerd tot het leveren van nog grotere prestaties. Genoeg is genoeg, voldoende is voldoende, dus waarom dan nog proberen er een schepje bovenop te doen en nog verder door te denken? Het gaat om de beoordeling en verder nergens meer om. Naar mijn mening zou de weg naar de beoordeling toe vele malen belangrijker gemaakt moeten worden, en zouden kinderen al vanaf een erg jonge leeftijd geloofd en geprezen moeten worden bij iedere gefaalde poging tot het presteren van wat dan ook. Loof het falen, en laat het leren van deze gemaakte fouten toe! Op die manier zal er iets kunnen veranderen. De angst om te falen zal drastisch mogen afnemen en plaats maken voor innovatief denken, een leerhouding en leergedrag dat Nederland duizenden malen harder nodig heeft dan het apatisch presteren-om-het-presteren. Mocht u nog huiswerk moeten doornemen met dochter of zoon, probeer dan goed te kijken naar de manier waarop deze het wil gaan aanpakken en loof het initiatief en elke daarna gemaakte fout. Ga vooral niet zelf de fout in door al te vertellen wat de uitkomst zal moeten zijn. U zult versteld staan van wat er dan gebeurt!

 

(Gebaseerd op de theorie van Carol Dweck „Mindset for a succesful life”)

Reacties

‚Waarom had ons team niet gewonnen?’, vroeg de student me in de bus op weg naar het station. ‚Ondanks jouw mooie presentatie als individu waren jullie helaas aan het doel voorbijgeschoten.’  ‚Welk doel dan?’ ‚Samenwerken. Een democratisch proces waarmee het onderwerp gekozen kon worden ontbrak volledig, de uitvoering werd door jou en een paar medestudenten gedaan en de overige twaalf deelnemers is lekker thuis in bed blijven liggen. Daarom dus.’

Schrijnend. Onze jongeren leven in een wereld die wordt bepaald door wat ze allemaal MOETEN. Ze moeten nadat ze een middelbare school-diploma behaald hebben, gaan studeren. Iets. Maakt niet eens zoveel uit wat, als het maar een garantie is voor een veilige toekomst. Brood op de plank, een huis en een auto van kaliber voor de deur. Veel jongeren doen het, braaf. Kiezen een ‚brede’  opleiding, dan zal er altijd wel ergens geld te verdienen zijn als het diploma eenmaal in de aktentas zit. Vervolgens melden ze zich aan voor de Studie, kopen de bijhorende boeken en de reis begint. Omdat het MOET. Te vaak niet omdat ze het willen.

Nog steeds, in deze moderne tijd, zijn er landen in deze wereld waar onderwijs en het deelnemen aan onderwijs helemaal geen vanzelfsprekende zaak zijn. Landen waar het regime bepaalt dat jonge kinderen beter ingezet kunnen worden om met hun kleine handjes fabriekswerk te doen, waar de religie bepaalt dat meisjes niet mogen leren lezen, waar kinderen geen school binnen bereik hebben omdat ze bijvoorbeeld midden in de woestijn leven. Het bestaat, nog steeds. Deze kinderen dromen er van te MOGEN leren. Zijn nieuwsgierig naar wat er in de wereld allemaal leeft, wat denkwijzen zijn, naar weten in het algemeen. Ze zouden er alles voor geven te mogen ontsnappen aan de opgelegde cultuur, er uit te kunnen breken en naar school te MOGEN gaan.

Nee, dan onze jonge, gezonde Nederlandse studenten. Volop mogelijkheden om zich te ontplooien, alle deuren van hogescholen en universiteiten staan uitnodigend open. Financieel is het ook niet onmogelijk, hoewel beperkter dan ooit. Maar toch: het KAN. In de praktijk hoor ik geluiden als: ‚Daar ga ik écht niet naartoe hoor, dat college is echt zó saai en nutteloos. En die man is écht irritant.’ ‚ Als jij niet gaat, ga ik ook niet!’ ‚Afgelopen week ben ik maar één dag geweest, ik had echt zó geen zin..’ Geen ZIN. Geen ZIN om te horen, te zien, te leren wat er te leren valt. Want het is niet LEUK. Het moet wel leuk zijn, natuurlijk. Daarom leren aankomende leraren tegenwoordig hoe ze de aandacht van studenten moeten richten, en geloof het of niet: er dient een heel arsenaal aan Disney-toestanden uit de kast getrokken te worden om de aandacht van de Nederlandse jongere langer dan tien minuten bij de les te kunnen houden. Doodvermoeiend voor de docent, maar alles om het de student naar de ZIN te maken. Het moet namelijk wel leuk blijven. Studeren wordt gezien als een vervelende opgave. Een hels karwei dat teveel tijd opslurpt met nutteloze bezigheden. Het thuisfront verwacht mooie resultaten en blije gezichten, dus die druk ligt er dan ook nog eens op.

Wanneer gaan we nou eens beseffen, dat we in dit land MOGEN studeren, maar niet MOETEN? Waarom denkt iedereen dat de Dienst Uitvoering Onderwijs iedereen verplicht als afnemer van de zogenaamde prestatiebeurs wil zien verschijnen? Je MAG studeren. Je MOET niet. En als je iets gaat doen omdat het MAG, kun je er wellicht ook met meer plezier aan deelnemen. Omdat het iets is waar je meer van wil weten, omdat het je interesseert en misschien omdat het, in het beste geval, je passie is. Studeren MOET echt niet. Voorbeelden genoeg van bevlogen mensen die zonder het behalen van een diploma zeer succesvol geworden zijn. Hun drijfveer was de passie die ze voelden, de gedachten en ideeën die ze hadden. En die stonden niet in de studieboeken die hen werden aangeboden. Die leefden in hun hoofd en in hun hart, en op die koers zijn ze gaan varen. Natuurlijk niet altijd met direct succes en watervallen aan geld. Maar met doorzettingsvermogen en volharding zijn velen er wel degelijk in geslaagd, en hebben meer bereikt dan ze konden bevroeden toen de reis begon.

Elke opdracht zien als een uitdaging, en niet als een last. Dat zou al een heel verschil zijn in opvatting en een begin van succes. Uit bed komen, naar school gaan, met het besef dat er elke dag wel degelijk iets moois te leren valt. Omdat het MAG. En omdat het KAN.

Reacties

Afgelopen week las ik een artikel in het treinkrantje, dat mijn aandacht meteen trok. Het handelde over het maken van de juiste keuzes in het leven. Kiezen voor de juiste studie, met name. Het arbeidsmarktperspectief werd als standaard genomen, en er was onderzoek verricht naar welke studie de meeste kans op een baan zou opleveren in de huidige arbeidsmarkt. Mijn hart ging sneller slaan. Maar helaas niet van vreugde.

In mijn werk spreek ik dagelijks, week in week uit, studenten die twijfelen of hun keuze de juiste geweest is. Ze lopen tegen problemen op van uiteenlopende aard. Maar al te vaak ligt de oorzaak van hun problemen al besloten in het keuzeproces. De manier waarop gekozen wordt voor een bepaalde studie bepaalt uiteindelijk het succes van de gekozen studieroute. Een jonge student, op dat moment nog middelbare scholier, heeft het zwaar bij het maken van deze bepalende keuze.

Een scholier in de laatste fase van zijn middelbare schoolperiode krijgt van thuis, van school en vanuit de (scholen)maatschappij allerlei boodschappen te verwerken die moeten leiden tot een weloverwogen en succesvolle keuze. De scholier hoort alles aan. Hij of zij hoort ouders vertellen dat ze zelf beter andere keuzes hadden kunnen maken in hun jeugd, dat ze nog steeds spijt hebben dat ze hun hart niet achterna geleefd hebben. Maar tegelijkertijd raden dezelfde ouders hem of haar aan om een verstandige keuze te maken. Misschien niet wat het hart ingeeft, maar dat is dan gewoon even jammer. „Dan kun je dat toch als hobby aanhouden?” wordt er dan gezegd.. De logica is ver te zoeken (de ouders hebben zelf toch spijt van de keuze die zij op deze leeftijd hebben gemaakt?) en de eerste twijfel is bij de aanstaande student al gezaaid.

Vanuit school wordt er vanalles gedaan om de scholier te helpen met kiezen: er worden vaak beroepskeuzetesten afgenomen. Scholieren zien helaas op die kwetsbare leeftijd nog lang niet goed wat het invullen van zo’n vragenlijst betekent. Ze kunnen de vragen nog niet helemaal juist inschatten en er komen dan ook vaak resultaten uit die totaal niet herkenbaar zijn. Nabespreken wordt nauwelijks gedaan, en een persoonlijk diepergaand gesprek zit er door tijdsdruk al helemaal niet in. De testen worden al gauw afgedaan als flauwekul. De keuze wordt wederom afhankelijk gemaakt van andere informatiebronnen.

Er worden honderden Open Dagen georganiseerd, op alle niveaus van scholing doen instituten hun best te laten zien wat ze in huis hebben. Scholieren bezoeken deze Open Dagen, toch vooral omdat het hen min of meer verplicht gesteld wordt. Soms komen hun ouders mee, en het is opvallend dat de ouders dan vragen stellen en zich laten informeren terwijl de (nog puberale) scholier wezenloos om zich heen kijkt en niet wijs kan worden uit deze overvloed aan informatie. De belangrijkste vraag die gesteld kan worden, wordt zelden gesteld: waarom stoppen studenten met deze studie? Ik raad iedereen aan deze vraag te stellen, want je kunt nergens zoveel van leren dan van de fouten van anderen!

Uiteindelijk gekozen voor een opleiding, is de keuze meestal gemaakt omdat het ouders en scholier (hopelijk ook betrokken bij de keuze) verstandig leek, gezien de toekomst op de arbeidsmarkt. Kansloos! Tenzij de student een behoorlijke portie zelfdiscipline kan opbrengen en zich niet afvraagt of hij het ook leuk vindt wat hij moet doen. Ze bestaan! Helaas zie ik de studenten die na het maken van de keuze op basis van alle voorgelegde feiten, niet over een mate van zelfdiscipline lijken te beschikken die studeren zonder intrinsieke motivatie mogelijk maakt. Deze studenten komen tot de conclusie dat deze studie toch niet echt is wat ze willen, kunnen de energie niet meer vinden om iets te studeren dat ze oninteressant vinden en lopen dan ook hopeloos achter op de feiten. In de ergste gevallen worden ze depressief, en raken onder druk van de verwachtingen die aan hen gesteld worden, in psychische nood. Vaker dan u denkt!

Praat ik dan met hen verder over wat ze mogelijk wel interessant vinden, dan zie ik een stralend gezicht verschijnen en staan ze te popelen om meer te weten te komen over de manier waarop hun passie gecombineerd kan worden met een studie. Passie, noem ik dat. En die is onverbiddelijk nodig om te kunnen slagen in het leven. Zeg nou zelf, wie hebben nou het meeste bereikt? De ongemotiveerde doorstudeerders, of de mensen die hun eigen pad gevolgd hebben en dagelijks met een enorme drive hun passie met het dagelijkse leven integreren?

De voorspelling van een studiekeuze die aansluit op de arbeidsmarkt, ze is makkelijk te maken op basis van economische cijfers en statistieken. Maar de menselijke maat wordt daarbij volledig terzijde gelaten. Ik pleit ervoor dat de menselijke maat bepaalt of iemand kan slagen, succesvol kan zijn in dit leven, of niet. Als ze daar op school nou eens wat tijd aan zouden besteden. Laten we zeggen, vanaf de kleuterschool?



Reacties

Tegenwoordig is er in het basisonderwijs een ontwikkeling gaande die positief genoemd mag worden maar haar doel voorbij lijkt te schieten. In de tijd dat ik op de basisschool zat (langer geleden dan mij lief is) was elke leerling gelijk. Althans: er werd een gemiddelde aangehouden en wie daar boven of beneden zat kreeg nauwelijks meer of minder aandacht dan de gemiddelde leerling. Bij hoogste uitzondering mocht ik het schrijf- en leesboekje van de volgende klas al doorwerken, dat herinner ik me nog goed. Wat een eer!

Op vandaag wordt van de leraren verwacht dat ze de ‘groep’ (het woord ‘klas’ is inmiddels hopeloos ouderwets) op drie niveaus aanspreken: de leerlingen die het tempo niet bij kunnen houden dienen ander lesmateriaal aangeboden te krijgen dan de leerlingen die het gemiddelde tempo weten bij te benen, en de leerlingen die sneller kunnen werken horen dan ook weer ander, bij voorkeur compacter materiaal aangeboden te krijgen. Zowel voor rekenen als voor taal als voor lezen als voor spelling als voor aardrijkskunde als voor geschiedenis als voor biologie. Pfoeh. Ga er maar aan staan: lesvoorbereidingen maken voor lessen die op deze manier opgebouwd dienen te zijn. En het corrigeren van de werkboekjes, een tijdverslindende maar belangrijke bezigheid, wordt daardoor ook verdriedubbeld.

Leerlingen lesstof aanbieden op persoonlijk niveau. Een prachtige gedachte, elk kind dat  te kunnen bieden wat aan de persoonlijke capaciteiten voldoet. Maar in de praktijk zie ik leerkrachten met het zweet op hun voorhoofd lange dagen maken, in de hoop aan alle wensen te kunnen voldoen. Met de beste wil van de wereld kunnen ze de dagen niet langer maken dan de 24 uur die ze nou eenmaal zijn en dus wordt het weekend regelmatig opgeofferd om de voorbereidingen tot in de puntjes voor elkaar te krijgen.

Een klaagzang? Nee. Wel een beschrijving van de praktijk. Als deze mensen niet zoveel hart voor de leerlingen hadden, zouden ze het bijltje er al lang bij neergelegd hebben. Ze ploeteren verder, in de hoop leerlingen naar het middelbare onderwijs te kunnen laten doorstromen die blaken van zelfvertrouwen, wetend dat zij op hun eigen persoonlijke niveau goed kunnen presteren.

Helaas volgt dan weldra de teleurstelling, als aan de poort van de middelbare school al geroepen wordt dat er weinig tot geen ruimte is voor de persoonlijke aanpak waaraan de leerlingen en hun ouders zo gewend waren geraakt. Op de gemiddelde middelbare school regeert de middenmoot. De zesjescultuur waar Nederland zo onder schijnt te lijden (getuige de berichtgeving in de actuele pers) wordt op de middelbare scholen gecultiveerd. Gymnasia die bij de kennismaking roepen dat een gemiddelde 8 het streven is, blijken in de praktijk niet in staat leerlingen die in de eerste twee semesters 29 tienen weten te scoren, een individueel uitdagend programma aan te bieden. Ik bedoel maar.

Dus wat is er nou precies zoveel verbeterd sinds we basisschoolleerlingen op drie niveaus zijn gaan benaderen? We kweken een cultuur waarin zowel leerlingen als ouders gewend raken aan (of eigenlijk zelfs ‘verwend’ raken door) de persoonlijke aanpak van de leerling. Des te harder komt de werkelijkheid dan aan, als blijkt dat deze cultuur niet voortgezet wordt in het voortgezet onderwijs. Wat is wijsheid?

Mijn bassisschooltijd herinner ik mij als een tijd waarin mijn leerkrachten ook buiten de lesstof aandacht voor mij hadden. Waarin ze het goed in de gaten hadden als ik niet lekker in mijn vel zat, en er tijd en ruimte was voor een goed gesprek. Nu zie ik hoe leerkrachten vechten tegen de klok, niet weten waar ze het eerst moeten kijken en moe zijn van alles wat er van hen geëist wordt. Als dat wijsheid is, dan weet ik het ook niet meer.

Reacties
LizetteSteekt

Wat ben ik blij met deze Minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschappen. Ze gaat het Bindend Studieadvies ter discussie stellen in het najaar. Maar ik kan verder gaan. Bijvoorbeeld: het bekostigingssysteem van het hoger onderwijs veroorzaakt de prestatiedruk en stress onder studenten én ook onder docenten. De student wordt geacht in vier jaar tijd de HBO-Bachelor te behalen. Wanneer er bijzondere omstandigheden een rol spelen in die vier jaren, mag de student er een jaar langer over doen. Maar dan? Duurt het (helaas) langer dan vijf jaar? Dan krijgt het opleidingsinstituut (!) een boete voor het langstuderen van de student. De omstandigheden van de student zijn echter in de meeste gevallen helemaal niet verwijtbaar. Het is namelijk niet zo dat het leven van studenten gedurende vier levensjaren stilstaat, dat er niets gebeurt in hun 'Umfeld'. Ouders scheiden, (stief-)vaders of moeders overlijden, vrienden plegen zelfmoord, er wordt een functionele beperking geconstateerd (tijdens de HBO periode wordt vaak pas duidelijk dat bv. ADD al die eerdere jaren dwars gezeten heeft), en ze zijn vatbaar voor depressies (goh hoe kan dat nou?) - ik noem maar wat voorbeelden uit de praktijk. Is dat verwijtbaar? Nee. Is het begrijpelijk dat deze student tijd nodig heeft om iets te verwerken en misschien hulp te zoeken? Opleidingen doen naar mijn ervaring hun uiterste best om studenten te begeleiden bij deze Levensschool-ervaringen die zich naast hun Hogeschoolervaring voordoen. Maar de tijd tikt. Niemand kan er iets aan doen: verwerking, trauma en chaos vergen tijd voor herstel. Maar de opleiding voelt de druk van het boetesysteem, en de student voelt de druk van de opleiding. Uiteindelijk ontstaat er een tendens om studenten die dreigen een zeer lange studievertraging te gaan oplopen, dan maar de deur uit te werken. Zonder diploma, hopelijk met enig soelaas van DUO met een verminderde studieschuld. 

Naar mijn mening deugt het systeem op dit punt niet, en is dit de hoofdoorzaak van veel ellende en stress bij alle partijen die bij onderwijs betrokken zijn. Lieve minister van Engelen. Misschien vindt u er zo snel niet de woorden voor (zoals ik lees in het artikel), maar u mag mijn woorden lenen. Al zijn ze dan misschien niet onderbouwd of doordacht, ik denk wel dat ze in de kern waar zijn.

Natuurlijk moet er een kader zijn. Voorwaarden mogen gesteld worden. Maar zo strak en op straf gericht als nu, dat is niet gezond. Voor niemand.

Reacties

Onze welvaart draait ons langzaamaan de nek om. Dat is een drastische gedachte, zult u denken. Misschien wat overtrokken. Maar toch. We hebben het als Nederlanders nog nooit zo goed gehad. De economie groeit, de meeste mensen kunnen elke dag een boterham met beleg eten (of een meergranen pain pistolet belegd met prosciutto op een bedje van rucola, gedragen door een laagje pesto), hebben een dak boven een hoofd (of vier keer per jaar andermans dak via AirBnB of een ‘goedkoop’ hotelletje via booking.com), de verwarming draait (of we gaan twee keer per maand lekker naar de sauna om op te warmen). We hebben tijd over, want allerlei apparaten doen de vervelende klusjes (er rijdt bij steeds meer Nederlanders een Roomba door de woonkamer om het stof op te zuigen), dus alles wat we nog hoeven doen is ons druk maken over onszelf. Zijn we wel wie we echt zijn? Hebben we wel alle gaten en hoeken van onszelf goed ontwikkeld? Kunnen we die droom die zo onbereikbaar leek, alsnog waarmaken?

Duizenden coaches van allerlei allooi bieden ons de kans onszelf te ontwikkelen tot onze uiterste Zelf, met succes en rijkdom in het verschiet die zelfs voorbij onze stoutste dromen gaan. We moeten dingen anders doen, ons leven anders inrichten, alles laten wijzen naar één ding: onze Zelfontplooiing. Kasten vol zelfhulpboeken wachten op ons, bieden alle lessen die nodig zijn om ons bestaan dan toch eindelijk zinvol te maken. Daar hebben we tijd en geld voor, dus wat zouden we anders doen? Het kan, dus we doen het. Massaal zitten we te navelstaren en de stilte te zoeken. Terwijl de stilte in onszelf allang aanwezig is maar sinds tientallen jaren overstemd wordt door nutteloze info die ons brein vervuilt.

We staren naar tijdlijnen vol non-informatie op Facebook, we profileren onze ‘succesvolste zelf’ op LinkedIn, we Instagrammen onze successen, Twitteren onze mening de ether in en kijken meer dan  goed voor ons is naar de oh zo mooi voorgestelde wereld door onze telefoon. Ons brein slibt dicht door de onzinnige informatie, verstopt in goed verborgen (of juist niet) betaalde berichten van bedrijven en instellingen. We denken dat we die informatie niet opslaan, maar ergens in onze inwendige bits en bytes blijft de spam wel hangen. Onze processor draait overuren, we verspillen veel energie aan het boven water houden van ons systeem om te kunnen focussen.

Mensen, en dus Nederlanders, hebben een zinvolle invulling van de dagen van het leven nodig om met voldoening te kunnen leven. Maar wanneer is het tegenwoordig nog genoeg? ‘Verleg je grenzen, kom uit je comfort zone!’ Ja, graag. Maar wanneer is die zone dan groot genoeg? Wanneer mogen we ons er bij neerleggen dat het volstaat? Wanneer is onze Zelf voldaan en doorontwikkeld? Volgens de inspirators van de 21ste eeuw moeten we gewoon doorgaan, blijven leren en ontwikkelen totdat de zes planken zich om ons heen sluiten. We boeken intussen een verblijf van twee weken naar een meditatieparadijs waar we op een berg ons brein proberen leeg te maken. Om daarna in volle vaart weer in de TGV van het moderne Nederlandse leven te stappen. En dat begint met een fotoverslag van de waanzinnig mooie en zo louterende ervaring op Facebook.

Burnout en moe zijn we. Depressief en suïcidaal. Hoe dat kan? 

Reacties

In de Rotterdamse haven draait men een proef met geautomatiseerde systemen. Het lossen van de vracht van grote schepen is deels nog wel mensenwerk, maar vanaf het moment dat de trossen vastgelegd zijn door de ruwe mensenhand, komt er geen mannetje meer aan te pas. Nou: ééntje dan. Die zit met de joystick in de hand in een leren zetel in de stuurkamer. Beneden, buiten, gebeurt alles verder geheel automatisch. Vlekkeloos glijdt de kraan naar het schip, takelt de containers er één voor één vanaf en zet ze neer op een vrachtwagen die (zonder bestuurder) gladjes de weg zoekt naar de opslagplek. Daar aangekomen doet weer een automatisch aangestuurde kraan de rest en tilt de container op de opslagplek. Glad en zonder hobbels verloopt het proces. Onder aansturing van één meneer. Prachtige vooruitgang, mogelijk gemaakt door de techniek. Toch?

Maar: waar zijn de andere havenwerkers gebleven? De haven van Rotterdam was in het verleden toch een bron van inkomsten voor vele arbeiders die, hoewel ongeschoold, zeker wel van wanten wisten? Waar zijn ze gebleven, de mannen met armen als staalkabels? Ik probeer mij een voorstelling te maken van wat er gebeurt als de techniek het overgenomen heeft en de arbeider overbodig geworden is.

In het eerste, meest onwaarschijnlijke scenario hebben de arbeiders een flinke bonus gekregen. Flink genoeg om het gezin eens in de vier maanden te trakteren op een prettige vakantie, een beduidend grotere woning aan te schaffen, elk volwassen lid van het gezin van een Audi te voorzien, de studies van de kinderen geheel te betalen en de vrouw des huizes te fêteren op een plastische behandeling die haar zo goed als nieuw maakt. Vanaf de dag dat de techniek zijn intrede deed heeft het de levens van de arbeiders werkelijk mooier gemaakt.  In dit fantastische scenario dan toch. Overigens lijkt dit scenario aardig op wat er gebeurt als bankdirecteuren de zaak noodgedwongen moeten verlaten. Dat terzijde.

Het tweede, meer waarschijnlijke scenario is helaas anders. De arbeiders zijn er met een jodenfooi uitgewerkt, hebben zogenaamde jobcoaching gehad die nergens toe geleid heeft en zitten over een paar jaar in de bijstand. Moeders zal een baantje er bij moeten zoeken, dan heeft ze er twee, als schoonmaakster. De kinderen hoeven niet eens te dénken aan doorstuderen. Dat wordt hamburgers bakken bij de MacDonalds of kiphormonenburgers bij de KFC. Een eigen auto zit er voorlopig niet in voor het gezin, laat staan voor de jongeren.  Vaders is zijn rol als kostwinnaar kwijt en vraagt zich dagelijks én nachtelijks af hoe het zo ver heeft kunnen komen. En ziet geen uitweg maar alleen robots om zich heen als hij een poging doet in de nacht tot rust te komen.

Laten we dan eens nadenken over een derde scenario. Hoe het óók kan. Mét technologische ontwikkelingen. In het derde scenario heeft elke Nederlander een basisinkomen. Laten we zeggen, 1000 euro per maand. Daar hangen geen voorwaarden aan vast zoals sollicitatieplicht of verantwoording. Dat geld krijgt elke Nederlander maandelijks op zijn rekening. Daarmee kan de huur betaald worden, voeding of kleding, elke Nederlander mag zelf beslissen waar hij dat geld aan spendeert. Te gek voor woorden, hoor ik u roepen. Onmogelijk! Toch zou dit betekenen dat de basisbehoeften (vandaar: basisinkomen) afgedekt zijn. Geen zorgen betreffende de primaire behoeften, al is het nog steeds geen vetpot als het bij 1000 euro per maand blijft. Een gemiddelde student heeft in Nederland zo’n 1200 euro per maand nodig om rond te komen. Zonder bachanale toestanden: gewoon rondkomen. Wil de arbeider uit de haven dus meer dan 2000 euro (want zijn vrouw krijgt ook het basisinkomen) per maand, of heeft hij meer nodig, dan zal hij in actie moeten komen. Laat die arbeider nou bedacht hebben dat hij samen met zijn vrouw een mobiel restaurant wil beginnen? Of een groententuin, waarvan hij de oogst gebruikt om potten pastasaus te maken die hij wil verkopen? Of een kleine auto wil aanschaffen om pakjes rond te brengen? Of.. of.. of…? Hij zal in elk geval mogen kijken naar wat hij wíl en wat hij kan doen, en daarnaast ook de rust hebben om bijvoorbeeld het gras van de lokale voetbalclub elke week te maaien. Ik noem maar iets. Ik hoop dat u, mijn lezer, zelf in staat bent positief te kijken naar de talloze mogelijkheden die onze arbeider heeft in deze constellatie.

Welk scenario  is het meest kansrijk, denkt u? De documentaire van VPRO’s Tegenlicht (zondag 26 april 2015) heeft de mogelijkheden van de automatisering mooi in beeld gebracht. Ik wacht op de sequel: Over-leven na het werk. En dan?

 

Reacties

Laat mij dan een prediker zijn. Een prediker van liefde. Laat mij u vertellen over dat leven liefde is.

Ik zag een documentaire over de Japanse onderwijzer Kanamori. Hij geeft les aan groep 6. Rekenen, Taal, karakters schrijven. Het bekende werk. Maar veel belangrijker dan dat is wat hij bovenaan zijn lesprogramma heeft staan: een band laten ontstaan tussen alle leerlingen van zijn klas. Vijfendertig in totaal. En hen laten zien wat liefde is. Liefde voor zichzelf, voor anderen en voor het leven.

De Japanse kinderen lijken in alles op onze kinderen. Hun gedrag in de klas, hun onstuimigheid, hun egoïsme, hun spontaniteit, hun bravoure. Hun meester echter lijkt niet op de onze. Hij observeert en geeft kinderen naast alle andere taken een bijzondere taak: dagelijks schrijven drie kinderen een brief aan de klas over wat zij ervaren hebben de dag ervoor. En in die brief schrijven ze wat hen geraakt heeft, waar ze boos van werden, of juist blij. Waar ze trots op zijn of zich juist voor schamen. Naar aanleiding van de brieven ontstaan er discussies in de groep. Kinderen herkennen zichzelf in de tekst, of juist niet. Spreken naar elkaar uit wat zij ervaren, niet als feit maar als gevoel. Spreken uit wat hen bezighoudt en terughoudt, wat het leven hen op deze jonge leeftijd al aan uitdagingen biedt. Zoals het verlies van een vader. Regelmatig vloeien er tranen. Maar één ding is wel erg opvallend: de klas is tijdens deze momenten muis, maar dan ook muisstil. Iedereen richt zijn aandacht op het gezegde, en op de gevoelens die het met zich meebrengt. Iedereen kijkt naar zijn of haar eigen hart en dat van de ander.

Kanamori leert de kinderen de belangrijkste les van het leven: ze leren kijken naar zichzelf, kijken naar hun hart. En niets is moeilijker dan dat. Het is niet makkelijk om in je eigen hart te kijken. Maar je zult je eigen kwetsbaarheid moeten ontdekken om een band met anderen aan te kunnen gaan. Je kwetsbaarheid tonen. In de Japanse schuldcultuur, waar harakiri toch vanuit de traditie het antwoord was op gemaakte fouten, staat er nu een onderwijzer op die tegen de leerling zegt: toon je kwetsbaarheid. En tegen de groep: aanvaard de kwetsbaarheid van je vrienden en steek een helpende hand toe. Pas wanneer je je kwetsbaarheid hebt getoond zullen je naasten het voor je opnemen en je beschermen. Getuige van deze stelling is het moment waarop een leerling door meester Kanamori gestraft wordt wegens het voortdurend kletsen en giechelen tijdens de les (dat komt de Nederlandse onderwijzer beslist bekend voor). De leerling mag niet deelnemen aan het middagprogramma, wat een absolute beloning voor hard werken zou worden. De leerlingen hadden hier erg naar uitgekeken. De gestrafte leerling, Yo, zou in de klas moeten blijven terwijl zijn vrienden vlotten gingen bouwen. Yo barstte in tranen uit. Meester Kanamori wachtte zwijgend de reacties af. Schoorvoetend ontstond er een protest. Eén leerling nam het voortouw, een ander vulde het aan.  De klasgenoten vonden de straf niet passen bij de zonde. En uit protest tegen deze straf zouden zij zelf dan ook niet deelnemen aan de vlottenrace. De advocaten van de gestrafte leerling huilden zelf terwijl zij spraken. De pijn van Yo was daarmee ook hun pijn. Meester Kanamori’s hart moet beslist sneller geslagen hebben toen hij de reacties hoorde. Zijn doel was bereikt, de band was ontstaan. De groep was belangrijker dan het individu. Maar zonder het individu was er ook geen groep. De kracht van ‘samen’.

Zijn dit belangrijke lessen voor leerlingen van 10 jaar? Lijkt mij wel. Behalve alle tafeltjes van voren naar achteren te kunnen opdreunen, lijkt mij zeker in de huidige tijd, dat het laten zien en voelen wat echt leven inhoudt nu belangrijker is dan ooit. Dat liefde en het delen daarvan noodzaak is om te kunnen overleven. Dat kwetsbaarheid niet betekent dat je hulpeloos bent. Dat niets in dit leven zeker is, dat je geen garanties krijgt. En dat het goed is na te denken over het leven en jouw rol daarin. Dat vriendschap ontstaat door elkaars gevoelens te respecteren. Oog hebben voor elkaar is het geheim om gelukkig te worden. Gelukkig zijn vanuit het diepst van je hart.

Ik vertel niets nieuws. Het is een eeuwenoud verhaal dat veel te vaak verkeerd geïnterpreteerd wordt. De wereld heeft predikers nodig. Laat mij er dan één zijn. Geef de draad door, dan breekt het lijntje niet.

Reacties

Zeker, ik ben me er van bewust dat iedere generatie hetzelfde zegt over de jongeren. Elke generatie heeft iets te klagen over de jongeren. Tenslotte herhaalt de geschiedenis zich. Traditioneel zeggen ‘oudere’  mensen dat de jeugd lui is, niks nuttigs doet, en zich nergens iets van aantrekt. Toen ik een puber was hoorde ik ‘oudere’  mensen zulke dingen ook zeggen maar eerlijk gezegd dacht ik dan altijd dat ze het over de anderen hadden, want ik herkende mijzelf niet in hun kritiek.

Inmiddels ben ik zelf op weg een ‘oudere’  te worden, en ik kan het niet ontkennen: ook ik begin een mening te ontwikkelen over de zogenaamde Jeugd van Tegenwoordig. Jammer vind ik het. Echt heel jammer. Ik had zo graag afgeweken van de norm. Ik had zo graag willen zeggen dat de nieuwe generatie verfrissend anders is, vernieuwend en verbazingwekkend gemotiveerd om iets te veranderen, iets bij te dragen aan onze vileine wereld.

Helaas. Ik krijg er buikpijn van als ik hoor wat ze zeggen, als ik zie wat ze doen en als ik lees wat ze schrijven – met name op de ‘sociale’ media.. Deze mensen zijn op weg onderdeel te gaan uitmaken van onze maatschappij, ze moeten de in verval geraakte economie gaan opvijzelen, onze pensioenen enigszins veilig stellen en de wereld leefbaar houden en maken voor de alweer volgende generatie. In plaats daarvan maken ze zich met name druk om de materiele dingen die volgens hen nog ontbreken aan hun geluk. Talloze voorbeelden ken ik van jongere dames die echt niet gelukkig kunnen zijn als ze hun nagels niet elke week laten bijwerken en zich alleen maar druk lijken te maken om de kleur van hun haar. Ik zie en hoor jongens die het belachelijk vinden, een bijbaan, werken voor een minimumloon en doen wat de baas vraagt. Ronduit dom hoor, als je dat doet. Blijkbaar hebben zij een manier ontdekt om geld te krijgen die ik nog niet ken, want zij rijden rond in een te dure auto, dragen dure zonnebrillen en hebben niks zinnigers te doen dan op stap gaan, dronken worden en uitslapen. Heb ik toch ergens iets gemist en doe ik toch blijkbaar iets helemaal verkeerd. En ze gedragen zich op een bepaalde manier als peuters. Ze willen iets en ze willen het NU. Niet straks, niet later. NU. En als dat niet kan, dan wordt er een flink drama uit de kast getrokken waar ouders dusdanig van schrikken dat ze dan toch maar heel snel tegemoet komen aan de oh zo dringende wens van de dreinende puber.

Eerlijk is eerlijk: er zijn natuurlijk uitzonderingen. Godzijdank zijn er uitzonderingen! Jongens en meiden die wel lid zijn van een vereniging, die daar ook nog echt tijd voor vrij maken en meehelpen zonder dat daar geld tegenover moet staan. Jongeren die wel een baantje als vakkenvuller hebben (en dat in het gezelschap van andere jongeren liever niet vertellen – sinds wanneer mogen we er niet meer trots op zijn dat we werken voor ons geld?), die sparen voor zoiets als een opleiding voor het rijbewijs. Ouderwets, bijna. Maar is het daarom minder cool? Een bepaald deel van de generatie NU lijkt dat te denken. Zij leven vooral in het NU en helemaal nog niet in het LATER. En LATER zullen we dan wel zien hoe het verdergaat. En wat deze generatie, die dan weer de ‘oudere’  generatie is, van mening zal zijn over de dan weer aanstormende jongere generatie. Ik hoop het nog te mogen meemaken en dan te kunnen verzuchten tegen de klagende generatie: ‘De geschiedenis herhaalt zich, mensen, de geschiedenis herhaalt zich. En dat is alles.’ 

Reacties

„De liefde is een kwestie van vertrouwen in de ander, het gezicht van de liefde dient altijd bedekt te worden door het laken van het mysterie.” Paolo Coelho refereert in zijn boek ‚De Spion’ naar de Griekse mythe van Psyche. We moeten niet altijd op zoek zijn naar de geschiedenis van de ander, naar de redenen van hun liefde voor ons. We mogen vertrouwen op de aanwezigheid van de liefde. Het mysterie dient te blijven bestaan, zodat ook de liefde kan blijven bestaan. ‚Als we ons niet bang laten maken, zullen we steeds in een paleis wakker worden omdat de magie verdwijnt zo gauw we de liefde proberen te ontraadselen en te begrijpen.’ Zoals Psyche de verleiding niet kon weerstaan om het gezicht van de man die haar werkelijk en onvoorwaardelijk liefhad, te zien - waarop de man (die beeldschoon bleek te zijn) onmiddellijk uit haar leven verdween. Voor eens en voor altijd. En hoe Psyche de liefde ook zocht in anderen, ze zou haar niet meer kunnen vinden.

Om de Ware Liefde te kunnen beleven, mogen we dus niet aan haar bestaan twijfelen. Het is van levensbelang voor de Liefde dat we geloven dat ze tussen twee mensen bestaat, zondermeer.

In een menselijk, niet-mythisch leven verloopt de volgorde helaas vaak andersom: wat werd aangezien voor liefde, blijkt geen Ware Liefde te zijn maar een leugen. Een goed doordacht toneelspel dat weliswaar leek op de liefde, er alle kenmerken van had, maar geen werkelijke liefde was. Als iemand een dergelijke ervaring eenmaal gehad heeft, is het moeilijk om het vertrouwen te houden in het bestaan van de Ware Liefde. De eerdere ervaring werd al die tijd voor Waar aangenomen, en alle signalen die erop wezen dat het niet Waar was, werden omgedacht en rechtgepraat zodat ze wel Waar moesten zijn. Hoe hard dan de dag en het moment waarop het laken weggetrokken werd en bleek dat de Liefde een leugen was. Onwaar.

Daarna begint dan de lange weg naar het hervinden van het vertrouwen in het bestaan van Ware Liefde. Volharding, doorzettingsvermogen, de bereidheid het hart vele malen te (laten) breken totdat de dag aanbreekt dat de zoektocht gestaakt kan worden. Omdat uiteindelijk de Ware Liefde ook in onszelf schuilt. Kunnen we van onszelf houden, met vertrouwen in het leven staan, dan is de kans aannemelijker dat ook de Ware Liefde zich kan aandienen. Maar dan, wanneer de magie van de Ware Liefde zich genesteld heeft tussen twee mensen, is het dus de kunst om het laken het gezicht van de Liefde te laten bedekken, en te vertrouwen op de schoonheid die onder het laken verborgen gaat zonder haar ooit te hebben gezien.

Misschien draagt de bruid daarom een sluier, op weg naar het altaar waar ze haar Ware Liefde gaat betuigen voor de man van haar leven? En wordt de sluier opgelicht voordat de man zijn definitieve Ja-woord heeft gegeven, zodat hij zich nog zou kunnen bedenken en verdwijnen zoals de Liefde in Psyche’s mythe?

Ik wens u veel Liefde. En wel de Ware!

Reacties

“Mijn vader heeft al Engels gestudeerd maar die doet nu iets heel anders, die is webdesigner..”, zo onderbouwde de 18-jarige studente haar besluit om na afloop van de middelbare school toch niet te kiezen voor een WO studie Engelse Taal- en Letterkunde. “Dus, als ik het goed begrijp, vind jij dat jouw vader in zijn studiekeuze gefaald heeft. Want nu doet hij iets heel anders dan waarvoor hij gestudeerd heeft?” “Ja, eigenlijk wel.” Daarom heeft zij gekozen voor een meer gerichte beroepskeuze: Vertaler. Nog steeds vindt ze Engels het leukst, Spaans niet zo, het vertalen niet per sé. Maar om nou een studie te kiezen waarin je je uitsluitend richt op één taal, zoals haar vader gedaan heeft... De beroepsontwikkeling van haar vader toont in haar ogen aan dat dit geen goede gang van zaken zou opleveren: dan blijf je niet bij je eerste keuze. En heb je dus eigenlijk gefaald.

Een voorbeeld uit mijn praktijk als studentendecaan: eerstejaars studenten die halverwege het studiejaar niet helemaal zeker meer zijn van hun studiekeuze. Om allerlei redenen, overigens. Maar dat de ontwikkeling van het beroepsleven van de ouders op deze manier de studiekeuze kan beïnvloeden, dat had ik zelf nog niet bedacht. Op open dagen vraag ik ouders vaak of ze nu nog werken in het beroep waarvoor ze ooit gestudeerd hadden. Elke keer weer wordt dan bevestigd dat het merendeel van de ouders na het afstuderen iets heel anders is gaan doen. Dat het beroepsleven zich door de jaren heen in andere richtingen ontwikkeld heeft. Tenzij ze arts of verpleger zijn, die zijn in de wieg gelegd om te doen wat ze doen en blijven dat doen. Waar ik mij nog niet zo van bewust was is het aspect dat de kinderen het veranderen van beroep dus blijkbaar zien als een manier van falen: de eerste keuze heeft duidelijk niet gewerkt. En dat was toch wel de bedoeling?

De ouders hebben hun beroepskeuze veranderd door de jaren heen. Dat bevestigt voor de jonge kiezers dat de studiekeuze die aan de eerste beroepskeuze vooraf ging dus niet goed was. De beroepskeuze wordt immers aan onze 14- en 15-jarigen voorgesteld als iets definitiefs: als je kiest voor een opleiding, kies je definitief ook voor dat beroep. De werkelijkheid is echter weerbarstig: de koers van het leven, de ontwikkelingen in de economie, de persoonlijke groei – allemaal factoren die er toe kunnen leiden dat de eerste beroepskeuze gaandeweg herzien wordt. En dan kan een Taal- en Letterkundige twintig jaar later zomaar veranderd zijn in een webdesigner. Een ontwikkeling die dus inderdaad vrij ‘normaal’ te noemen is.

Daarmee is de studiekeuze en de twijfel over deze eerste keuze onmiddellijk te relativeren: je kunt nu een keuze maken, maar dat betekent niet dat je voor de rest van je leven in dat métier actief zult blijven. Gaandeweg stuur je bij, om allerlei redenen waarvan ‘ervaring’ geen onbelangrijke is. Dat is een normaal gegeven, dat is geen falen. Dat is ontwikkeling. Met deze insteek vermindert de druk van de eerste studiekeuze ook drastisch: je eerste studie is een beginpunt, en geen eindpunt. Het einde van het loopbaankeuzeproces is na ja afstuderen nog lang niet in zicht!

Eigenlijk is de studiekeuze of beroepskeuze die op de middelbare schoolleeftijd gemaakt wordt beter te zien als de eerste stap in een ‘loopbaankeuzeproces’, dat zich vanaf dan nog tientallen jaren zal blijven ontwikkelen. Steeds weer volgen er nieuwe stappen, nieuwe keuzes en komen er nieuwe opleidingen en trainingen op het levenspad. Pas na vele, vele jaren kan iemand dan hopelijk zeggen dat hij of zij zich steeds meer ontwikkeld heeft in een richting die echt goed past. Om dat al van iemand te verwachten die pas 16 of 17 jaar is, dat is wel heel erg veel.

“Heb jij jouw vader al eens gevraagd hoe het kan dat hij nu webdesigner is geworden?” “Nee, eigenlijk niet.” “Begin daar eens mee. En vraag dan ook je ooms en tantes maar eens wat ze doen en wat ze gestudeerd hadden, ooit.” De studente zucht. “Dit lucht wel op zeg. Ik ga hier eens goed over nadenken, mevrouw.” De Vertaalacademie lijkt plotseling toch niet zo’n slechte keuze, geeft ze aan. Misschien kan ze van daaruit ook nog andere dingen gaan doen, straks..  Waarom ook niet. Het leven is één groot groeiproces, met bochten en kronkels die ‘ontwikkeling’ heten. Ze is pas 18 jaar. Wie weet..

Reacties

De smartphone bestaat sinds 1992. Dankzij internet is het een onmisbaar item geworden, voor iedereen is er wel een reden waarom een smartphone een uitkomst is. Communiceren en bereikbaar zijn is er veel eenvoudiger door geworden, we kunnen er mee navigeren en eten bestellen. Maar oei, wat is het moeilijk om dat ding weg te leggen.. De ontwikkeling van apps ging razendsnel en voordat we het wisten konden we middels Whatsapp en een internetverbinding oneindig veel met elkaar communiceren – praktisch gratis.

Het valt me op dat veel mensen sindsdien moeite hebben met –letterlijk-  afstand nemen. Ze ontvangen en verzenden berichten en foto’s aan de lopende band, zijn zich niet meer bewust van hun gedrag. Overal, maar ook echt óveral, is de smartphone te vinden in de hand. Als iemand het verzonden bericht gezien heeft (af te lezen aan de blauwe vinkjes in de app), dan wordt er vanuit gegaan dat er ook meteen gereageerd wordt. Oh wee als dat niet direct gebeurt. Groot ongeduld. Maar ook ontzettende ongerustheid. Hoe dan ook: onrust, in het algemeen. Tussen geliefden (die willen weten wat de ander aan het doen is, en vooral wat die doet op de ‘foon’), tussen werkgevers en werknemers (‘jij bent altijd bereikbaar wanneer ik jou nodig heb’) , tussen vrienden (‘hee, waarom geef je geen antwoord…!!’), en tussen ouders en kinderen (‘lieverd, gaat het wel goed daar?’). De blauwe vinkjes kunnen ook uit gezet worden, dan is dus niet waarneembaar of het bericht gelezen is. Dat verschaft de ontvanger wat respijt. Maar de zender krijgt er soms een punthoofd van. “Waarom antwoord je nou niet?!”

Hoe rustig was het in de jaren dat ik opgroeide, merk ik op. Op de middelbare school had ik wat vrienden, we praatten in de pauzes de oren van elkaars hoofd. Na school fietsten we naar huis, gingen daar onze eigen dingen doen. De volgende dag kwamen we dan weer naar school en daar waren onze vrienden dan ook weer. Als we thuis waren en we wilden even contact met die vrienden, dan moesten we onze ouders vragen of we even mochten bellen. Dat mocht, maar ‘hou je gesprek kort en bondig, de tikken kosten veel geld!’. Toen ik later ging studeren (in de periode kort vóór de introductie van internet en smartphones), was er op de gang in mijn studentenflat een gemeenschappelijke keuken, gemeenschappelijke toiletten, een gemeenschappelijke wasmachine én een gemeenschappelijke telefoon. Daar hing een blocnote naast en een potlood aan een touwtje, en op de blocnote stond een rijtje voornamen met daarachter een getal: de verbruikte tikken. De tikkenmeter hing in de meterkast, en daar las je vooraf het startgetal af, en na je gesprek het eindgetal. Aan het einde van de maand kwam de telefoonrekening, en één van de bewoners die als beheerder was aangewezen, ging dan met ieder afrekenen. Behalve dat het relatief duur was, was de privacy ook gering: de telefoon hing open en bloot in de gang, dus iedereen kon (als die daar interesse in had) meeluisteren met jouw gesprek. Zo ging dat, en dat was normaal. Eens per week belde ik naar huis, op woensdag om 20.00 uur stipt. Dan praatte ik mijn moeder snel even bij en hing weer op. Ik moest mijn problemen zelf zien op te lossen en kon niet voor elk wissewasje mijn ouders benaderen. Dat heeft me een zekere mate van zelfstandigheid opgeleverd, die me later vaak goed van pas is gekomen. Dat besef ik nu pas, hoor. Op dat moment vond ik de vrijheid en onafhankelijkheid werkelijk waar heerlijk. Even geen moeder die over mijn schouder meekeek of mijn spullen nakeek. Dat kon op die manier, omdat ik geen noemenswaardige problemen had, dat besef ik.

Tegenwoordig raken ouders al in paniek als hun studerende kind niet binnen 12 uur online is geweest en geen virtueel teken van leven geeft. Terwijl dat kind gewoon bezig is zijn of haar eigen leven te leiden. Tenslotte zijn ze dan al 18, 19 jaar oud.. dus een bepaalde mate van zelfstandigheid en onafhankelijkheid mag wel aanwezig zijn. Kinderen moeten zich nou eenmaal losmaken van het ouderlijk nest, uitvliegen om af en toe weer binnen te vallen. Uitpuffen en opnieuw vliegen.

Mensen hebben de rare neiging hun kinderen te willen vasthouden tot ze meer dan volwassen zijn. Begrijpelijk, wanneer dat kind ondersteuning nodig heeft. Maar in het geval dat uw kind eigenlijk reëel gezien geen zorgondersteuning behoeft: doe hem/haar en uzelf een plezier. Laat ze (ook per sociale media) met rust. U geeft ze de kans om te leren, vooral van hun fouten. En dat is echt ergens goed voor. U heeft het tenslotte zelf toch ook overleefd?

Reacties

Een paar jaar geleden zag ik een documentaire over een leraar in Japan*. De man had een stralende reputatie, was een zeer geliefd meester. En waarom? Omdat hij lesgaf met hart en ziel, met open ogen, open oren en een open hart. En vooral: omdat hij de leerlingen zijn vertrouwen gaf. Het vertrouwen dat ze alles zouden kunnen leren, als ze dat wilden. En dat de kracht nu juist in het vertrouwen lag, en in de band tussen de klasgenoten. De leerlingen leken zich te verheugen op elke dag dat ze weer naar school mochten gaan. Ze voelden zich gezien, gehoord en geliefd. Er was een grote vertrouwensband niet alleen tussen leerkracht en leerlingen maar ook tussen de leerlingen onderling. 

Een paar jaar geleden ontdekte ik ook het één en ander over het Finse onderwijssysteem. Inmiddels hebben veel media hier verslag over gedaan, mogelijk heeft u er zelf ook al iets over gehoord. Wat mij frappeerde in het hele systeem is dat het allemaal draait om (alweer) vertrouwen.  Er is geen onderwijsinspectie, men vertrouwt erop dat de docenten er alles aan doen om de leerlingen op de meest doeltreffende, juiste wijze te begeleiden. Docenten zijn universitair geschoold, en hebben aanzien. Dat betekent dat ouders erop kunnen vertrouwen dat deze mensen hun kinderen op de best mogelijke manier onderwijzen.

Zo langzamerhand kom ik er achter dat VERTROUWEN het sleutelwoord is. Wanneer mensen het vertrouwen krijgen, zelfvertrouwen maar ook het vertrouwen van een ander, dan gaan de prestaties de betere kant op. In het onderwijs met name, omdat hier met jonge mensen gewerkt wordt die volop in ontwikkeling zijn. En juist zij hebben vertrouwen nodig: ze moeten allereerst de onderwijzers kunnen vertrouwen - en op de kennis van de onderwijzers. Daarnaast moet er vertrouwen in de (jonge) leerlingen zijn. Het vertrouwen dat ze daadwerkelijk de wil hebben en in staat zijn te leren, veel te leren van wat ze nodig hebben om een zinvol leven te leiden. Wat dat zinvolle leven dan inhoudt, zullen ze gaandeweg gaan ontdekken wanneer ze met vertrouwen en in vertrouwen, op eigen wijze hun levenslessen mogen leren.

Een onderwijssysteem dat gebaseerd is op vertrouwen kent geen inspecties, geen onnodige (stressvolle) audits, geen afrekensysteem. Een vertrouwenrijk systeem stoelt op kwaliteit van leerkrachten, op normen en waarden en op een positieve visie ten aanzien van de mogelijkheden die elk mens heeft om zich te ontwikkelen - op welk niveau dan ook. 

In Nederland heerst helaas nog teveel de Calvinistische mentaliteit. We moeten bloed, zweet en tranen zien voordat we geloven dat iets goed is. Docenten en directies zijn door de angst voor de controlewaanzin en rendementsdruk tot het uiterste gedreven en hebben tot overmaat van ramp het vertrouwen verloren in het leeuwendeel van de aanstormende jeugd die door prestatiedruk ook niet meer weet waar ze het moet zoeken. Het tij moet keren, en snel ook. De toekomst waarin Artificial Intelligence ons als mensen overbodig dreigt te maken, schreeuwt om vertrouwen. Mensen zullen een berg vertrouwen nodig hebben in zichzelf en het leven, om een weg te vinden in een wereld waarin de baangaranties niet langer bestaan. Onze kinderen kunnen namelijk niet allemaal ICT-er worden. Een flexibele, creatieve manier van denken en leven is wat de toekomstige generaties nodig zullen hebben. En wanneer is een mens het meest flexibel en creatief? Juist. Wanneer hij bulkt van het vertrouwen!

 

* De Japanse Levensles - de klas van Mr. Toshiro Kanamori (Youtube)

 

Reacties

Wat een ongelooflijk goed leven hebben wij, hier in Nederland. Kijk nou eens om je heen. Is het dan allemaal zo erg? Natuurlijk zijn er ziektes waardoor mensen erg moeten lijden - maar we hebben wel de mogelijkheden om hen zorg te bieden en hen de kans te bieden op genezing. Al lijken die mogelijkheden minder toegankelijk en duurder te worden: vergeleken met de zorg in andere landen, gaat het in Nederland nog goed. En mogen we daar blij mee zijn? Ja, daar mogen we blij mee zijn. Want in sommige zogenaamd welvarende landen kunnen mensen niet eens de benzine voor hun auto betalen die nodig is om naar het ziekenhuis te reizen voor hun chemo-behandeling. Wij bellen een taxi en dat wordt vergoed door de (weliswaar steeds duurdere) verzekering. In veel andere landen is een zorgverzekering gewoonweg onbetaalbaar. En dan houdt alles op.

Natuurlijk zijn er in Nederland mensen die balanceren op de rand van de afgrond, door armoede en gebrek aan mogelijkheden om daar uit te stappen. Maar nog steeds is het sociale systeem zo dat er een vangnet is. De situatie kan escaleren, maar als zwerver op straat landen - daar komt nog wel wat bij kijken in ons land. De financiële basis lijkt wel steeds dunner te worden, maar vergelijk het eens met een land als Amerika en je komt tot de conclusie dat het hier nog niet zo slecht geregeld is. Wij denken na over een basisinkomen, waardoor armoede bestreden kan worden. Het is een luxe als een land het zich kan permitteren haar minder kansrijke burgers een basisinkomen te gunnen. Met de aantekening dat ook de meest kansrijke burgers datzelfde basisinkomen zullen krijgen, volgens het principe.

Middelbare scholieren klagen over hun leraren en school in het algemeen. Dat is geen nieuws, dat is al decennia lang zo. Maar is het geen luxe dat ze allemaal de kans hebben om naar school te gaan? De tijd van de kolenmijnen is voorbij, jongens van veertien hoeven nu niets anders te doen dan hun kont elke werkdag naar de schoolbanken te verslepen. Maar soms is zelfs dat te veel gevraagd en klagen ze steen en been over de martelgang naar school. Landen genoeg in de wereld waar jongens van die leeftijd het vuilste werk moeten doen voor een ampel (of geen) loon. Kiezen? Liever niet.

Het is Kerstvakantie. Zelfs de hele week na Oud en Nieuw hoeft de helft van Nederland niet naar school of werk. Zich verheugend op de vakanties die dit jaar nog gaan volgen: voorjaar, zomer, herfst. We beseffen niet genoeg hoe bijzonder dat is. Ga maar werken in het beloofde land, Amerika. Dan heb je geen verlofdagen, alleen dagen dat je zonder betaald te worden ‚vrij’ neemt.

Het hoeft wat mij betreft niet anders. Wat er anders moet is dat we wat meer bewust mogen zijn van het enorme voorrecht dat we hier hebben op vrijwel elk gebied. Wij kunnen ons druk maken over of we wel ‚gelukkig’ zijn. Wij kunnen ons druk maken over of we onszelf wel zijn, of we ons optimaal ontwikkelen en alles uit het leven halen wat er in zit. Wij kunnen het ons zelfs permitteren om in bed te blijven liggen, zwelgend in zelfmedelijden, als het even tegen zit. We zijn depressief temidden van ontelbare mogelijkheden en weelde. En misschien veroorzaakt de weelde nou juist het gros van de depressies die Nederland rijk is. Waren we maar wat minder verwend, dan konden we misschien tevreden zijn. 

Het gegeven dat er schoon water door onze kranen stroomt als we ze open draaien, zou ons moeten doen dansen van geluk.

Reacties

Ooit was studeren iets voor de besten van de klas, de studiehoofden die zich wilden verdiepen in onderwerpen voorbij de grens waar de anderen de interesse in het onderwerp al lang verloren waren. Ooit waren beroepsopleidingen bedoeld om mensen met een aanleg of interesse voor een vakgebied voldoende vaardigheden, analytisch vermogen en inzicht aan te leren om op een hoger niveau in een bedrijf of bij de overheid te kunnen functioneren. Studeren was een saaie bezigheid, waar je tot wel zeven jaren mee mocht vullen (of langer), waardoor je goddank ook genoeg ruimte had om je een paar keer per week te laten vollopen bij je plaatselijke dispuut. Soms waren de plannen van de schoolmeesters en –juffen dat Petertje toch écht moest gaan studeren, maar dan had Petertje hele andere plannen. En dan ging hij met zijn handen werken. Je denkt toch niet dat hij jarenlang met zijn neus in de boeken wilde zitten? Kom nou!

Waarom heb ik nu het gevoel dat HBO-scholen tegenwoordig volstromen met beginnende studenten die het als vanzelfsprekend beschouwen dat ze na het behalen van hun HAVO-diploma gaan studeren. Het is een beetje studeren-om-het-studeren geworden. Je moet in elk geval iets kiezen dan, zodat je kunt gaan studeren. Iets, gewoon iets. Niet uit interesse of omdat je zo gemotiveerd bent om meer te weten van dat vakgebied. Maar omdat je later nou eenmaal een betere baan krijgt als je dat HBO-diploma – of nog liever: die Master! - in je zak hebt.

Hou me ten goede: er zijn nog steeds studenten die absoluut wél geïnteresseerd en zeer gemotiveerd zijn. Dat mag ook gezegd worden (en zou misschien wel eens wat meer benadrukt mogen worden in de media). Deze studenten maken de gekozen HBO Bacheloropleiding binnen 4 jaar af, stromen door naar de wetenschappelijke opleidingen voor een 1 of 2-jarige Master en gaan dan de arbeidsmarkt op. Klinkt probleemloos en in sommige gevallen is het dat ook, echt. Zijn dít dan de mensen die voldoen aan het ideale profiel van een HBO-student? Ja, dit zijn de mensen waarvan we graag klassen vol in alle opleidingen zouden willen hebben. Maar de realiteit is dat het percentage studenten dat zónder enige vertraging HBO-WO doet, én meteen een bij de opleiding passende baan vindt, klein is in verhouding tot de massa’s studenten die als jonge honden in het propedeusejaar van de betreffende lichting van start zijn gegaan. Wat dus dientengevolge betekent dat de propedeusejaren vól zitten met beginnende studenten die blijkbaar bij voorbaat al níet aan het uitstroomprofiel voldoen.

Dan is de opleiding aan de beurt om het percentage geslaagde doorstromers uiteindelijk zo hoog mogelijk te laten eindigen. Dat verwacht de overheid van de instituten, daar worden ze op afgerekend. De studenten willen het met name ‘leuk’ hebben. Het moet wel ‘leuk’ zijn om hier te studeren. En er moet ook genoeg ‘leuks’ georganiseerd worden zo nu en dan, om het ‘leuk’ te houden. Daar werken ze liever niet zelf aan mee, dat mogen anderen doen. Het moet wel ‘leuk’ blijven. En is een vak niet ‘leuk’, dan worden er klachten ingediend. Of worden lessen simpelweg niet bijgewoond, omdat het niet ‘leuk’ is om in een les te zitten als je ook koffie kunt drinken op de loungebanken van de hippe catering.

Ik krijg jeuk van ‘leuk’. Het leven is niet ‘leuk’. Het leven is soms gewoon bikkelen op je tandvlees. Omdat het móet, niet omdat het ‘leuk’ is. Misschien zit ik er heel erg ver naast, en als dat zo is dan hoor ik het graag, maar is het niet allemaal een beetje te ‘leuk’ geworden? Open Dagen en introductieweken waarin alles uit de kast getrokken wordt om te laten zien dat het écht heel ‘leuk’ is allemaal. ‘Leuk’ studeren omdat het nou eenmaal kan, niet omdat je dat zo graag wilt, betekent dat je intrinsieke motivatie waarschijnlijk minimaal is. Of op zijn minst niet erg groot. En dan red je de minder ‘leuke’ vakken niet..  De eerste herkansingen zijn vooral ook ‘niet leuk’, dan.  En een Bindend Afwijzend Studieadvies is al helemaal niet leuk.

Terugkomend op waar ik ben begonnen met dit relaas: ‘leuk’, we kunnen allemaal gaan studeren in het HBO zodra we de HAVO afgesloten hebben met een diploma, zelfs al de resultaten niet ruim voldoende waren. Maar de vraag is: móet dat?

Reacties

Gisteren attendeerde een student me op een artikel van de NOS, over de aansluiting van de studies die gevolgd worden op de banen die te vinden zijn. Studeren we wel voor de baan van de toekomst? Vinden we wel werk in het beroepsveld van de gevolgde opleiding?

Tijdens Open Dagen verzorgen mijn collega-decanen en ik een voorlichting voor ouders. Daarin gaat het over de studiekeuze en wat het betekent om in het HBO te studeren. Mijn vraag aan de aanwezige ouders is dan: "Wie van u werkt vandaag nog in het beroep waarvoor u 20 à 30 jaar geleden bent opgeleid?" Persoonlijk vind ik dat het leukste moment van de presentatie, want ik zie mensen fronsen en blozen. Gemiddeld zijn er zo'n 80 ouders aanwezig bij mijn presentatie. Daarvan steken er na deze vraag 2 of 3 de hand in de lucht, en ik kan dan met gemak hun beroep raden: verpleger, arts, verzorgende, verloskundige. Mensen met een beroep dat bij hun roeping past. Bij de overige aanwezigen lijkt er dan een lampje te gaan branden. Inderdaad, we gaan na het afronden van de eerste studie het loopbaanpad op en nemen bochten en afslagen, waardoor we soms in beroepen en taken terecht komen die helemaal niets meer te maken hebben met onze eerste studie- of beroepskeuze. Maar zijn wel blij met wat we doen, omdat dit veel beter bij ons past: we hebben onszelf leren kennen - en hebben door de jaren heen steeds weer opleidingen, workshops en trainingen gevolgd om de nieuwe taken te kunnen uitoefenen.

Dus: hoe zwaar weegt dan die eerste studiekeuze? En hoe belangrijk is het dan dat de eerste baan die we vinden exact aansluit bij de gevolgde studie? Mijn ervaring is dat het werk- en denkniveau, naast athenticiteit, uiteindelijk de doorslag geeft - als het tenminste een baan betreft die geen specifieke (technische) kennis vraagt. De banen van de toekomst lijken dit wel te vragen - dus moeten er meer mensen geboren worden die aanleg en talent hebben voor techniek. Want dat heeft nou eenmaal niet iedereen.

Wat de toekomst betreft zal er rekening gehouden moeten worden met de opkomst van robotica en de toenemende inzet van humanoids. Een deel van ons menskrachten dreigt uiteindelijk een beetje overbodig te worden. ICT en techniek zijn vakgebieden waar het nog een tijdje goed zal gaan, maar helaas is dus niet iedereen gezegend met de aanleg om hier een bestaan mee op te kunnen bouwen. Niet leuk om te lezen misschien, maar binnen enkele tientallen jaren zal een deel van de mensheid een andere reden van bestaan moeten zien te vinden dan zijn of haar 'werk'. Om met die nieuwe omstandigheden om te kunnen gaan, zullen de nieuwe generaties steeds flexibeler en creatiever moeten worden. Tenslotte heeft de mens een zinvolle invulling van tijd nodig om zich enigszins gelukkig (of op zijn minst: tevreden) te kunnen voelen. Daarnaast zal er toch echt hard nagedacht moeten worden over de manier waarop inkomen gegenereerd en verdeeld wordt. Want als robots het 24/7 van ons kunnen overnemen zonder ziek te worden of zich te beklagen over arbeidsomstandigheden, waarom zouden werkgevers ons, dure mensen, dan onder contract houden?

Misschien zie ik het te zwart/wit of ben ik te negatief, maar laten we de druk van de studiekeuze nou eens afhalen door te beseffen dat de eerste studie niet meer dan een startpunt is en geen eindpunt. Dat om te beginnen. En als de intrinsieke motivatie bij de scholier ontbreekt om te gaan studeren, laat hem of haar dan de tijd nemen om te ontdekken wat de drijfveren voor het leven dan wél zijn. De gedachte dat het diploma zaligmakend is, is niet de hele waarheid. Ja, een diploma helpt op weg naar werk en inkomen. Maar wélk diploma? Uiteindelijk beslissen werkgevers bij de aanname voor een groot deel ook op basis van de uitstraling en (zoals gezegd) authenticiteit van de sollicitant. Wie jij bent, en of je goed in je 'pak' zit, dat kan het verschil maken in een wereld waar iedereen met minimaal 1 masterdiploma op zak naar dezelfde baantjes vist. Of jouw eerste baan dan exact past binnen de kaders van dat behaalde diploma? Who cares. De realiteit is dat je werk hebt, en je eigen inkomen verdient, en gestart bent met een loopbaanpad waarvan je nog niet alle kronkels kent. En je gaat jezelf en jouw talenten dan pas echt leren kennen. En dat is dan voorlopig dat - totdat de volgende bocht of afslag zich aandient.

Reacties

Er wordt in de publiciteit de laatste maanden steeds meer aandacht gegeven aan jongeren die overspannen of burnout zijn, depressief en zonder wil om te leven. Het is zeer triest dat jongeren deze ontwikkeling meemaken. De oorzaak van de ellende is een combinatie van de luxe omstandigheden waarin velen van ons verhoudingsgewijs leven, de sociale media die ‘geluk’ tot universeel streven hebben gebombardeerd, de ouders die qua opvoeding niet meer doen wat vorige generaties deden, het wegvallen van ‘ankers’ zoals geloof, en zo voorts.

Toch hoor ik ook een ánder geluid in de gesprekken die ik voer met studenten. Steeds vaker vertellen studenten dat ze het moe zijn, het nastreven van perfecte schoonheid en geluk. Ze zien heel goed wat de media proberen te doen, de beïnvloeding en de valse werkelijkheid. Ze bespeuren de ongemakken die ze naar aanleiding daarvan ervaren. Perfectionisme, faalangst, lage zelfbeelden. Ze worden er moe van en willen er eigenlijk niet meer aan mee doen. Ze gaan dan ook massaal ‘minderen’. Minder op alle fronten.

Snapchat viert hoogtij, Facebook is tanende. Waarom? Op snapchat kunnen foto’s geplaatst worden die slechts tijdelijk te zien zijn en ook niet met screenshots bewaard kunnen worden. Ze verdwijnen na een door de gebruiker zelf bepaald aantal seconden. Mijn kinderen (15 en 17 jaar) Snappen er lustig op los, en ik had het privilege eens te mogen meekijken. En wat blijkt? Er worden foto’s gedeeld van de minst mooie posities, de meest bleke gezichten en rare situaties. Het is de werkelijkheid die daar gedeeld wordt. Geen ‘altijd happy’ maar ook ‘gewoon zo’n dag als alle anderen’, daar op Snapchat.  Facebook zijn ze moe. ‘Daar staan alleen maar leugens op, ik weet best dat het niet zo goed met ze gaat als dat ze daar beweren..’ En de quotes zijn ook uitgemolken, zo lijkt het. ‘Be yourself!’ ‘Just be you!’ Hoe dan?

Ze realiseren zich ook steeds meer dat ze tijd winnen wanneer ze niet meer zoveel bezig zijn met onzinnige dingen. Dat ze ook meer focus hebben als ze de afleiding blokkeren. Steeds meer jongeren kopen mobiele telefoons waarmee ze echt alleen maar kunnen bellen en sms-en. Uit zelfbescherming tegen de negatieve invloeden die het internet heeft op hun tijdsbesteding én hun zelfbeeld, willen ze niet eens de optie Wifi meer op hun mobiel hebben. Steeds vaker hoor ik geluiden als: ‘ik doe niet meer mee met die onzin...’ en dat vind ik een positieve ontwikkeling.

Vanuit de jongeren zelf ontstaat er langzamerhand als vanzelf een afkeer van media. Niet alleen social media, ‘s maar ook commerciële TV-programma’s en sluikreclames kunnen steeds vaker rekenen op een druk op de ‘Off’-knop. Netflix daarentegen is populair: zelf kiezen waar je naar kijkt, én geen storende schreeuwerige reclames tussendoor – daar betaal je graag een tientje per maand voor. Wel weer uitkijken voor ‘binge-watching’, dan. Want teveel is nog steeds echt niet goed.

Ooit lieten Indianen zich verblinden door spiegeltjes die hen voorgehouden werden. Totdat ze beseften dat het slechts stukjes glas waren, die het licht van de zon weerkaatsten. Toen was de magie van de spiegels al snel voorbij, en lieten ze de prulletjes links liggen. Misschien is dat ook wat met Facebook (en andere media) is gebeurd: verblind door zoveel moois zijn we er massaal achteraan gelopen. Maar nu wordt langzaam duidelijk wat die sociale media nou eigenlijk met ons doen. En dan is de magie zo langzamerhand voorbij..

Afgaand op de geluiden die ik hoor vanuit de jongeren is de hoop op een generatie die rustig, zinvol en doelgericht bezig wil zijn met hun leven en met de wereld, toch niet vervlogen. Laten we vooral weer aandacht geven aan de positieve ontwikkelingen die er zijn. Initiatieven voor meer verbinding en rust duiken overal op, georganiseerd vanuit de jeugd zelf. Laten we dat vooral ZIEN en stimuleren, in plaats van het spotlicht steeds weer te richten op de negatieve ontwikkelingen.

‘Geluk is een stom streven,’ zei een studente laatst tegen mij, ‘ik ben gewoon tevreden. Dat is klein en overzichtelijk En dat is het beste wat me overkomen kan!’

Reacties

Mensen die nooit iets zeggen, niet hardop uitspreken wat ze ergens over denken, niet meedoen in een discussie, niet opstaan om ten overstaan van iedereen het woord te nemen en al helemaal niet hun gedachten in een blog delen, hebben beslist een makkelijker leven.

Dat stel ik dan maar eens zo. Want er is tegenwoordig wel wat lef voor nodig om je mening te geven. Iedereen heeft namelijk wél altijd een mening over wat de ander zegt of op één of andere manier uit. Dat dan weer wel. Alleen wordt die mening vaak niet rechtstreeks geuit tegen degene die het zou moeten horen. Men praat ‘achter de rug’, of appt, of mailt. Of zegt het gewoon bij de koffie. Het beste voorbeeld hiervan zijn social media, waar mensen in alle anonimiteit kunnen reageren naar hartenlust. En dat doen ze, volop en ongezouten. Ik vraag me wel eens af of dit soms zwijgers zijn die hun gram halen via Facebook? Normaal te bang om iets te zeggen, maar vanachter het scherm en via het keyboard de verbale held uithangend..

Het is van alle tijden, en het heet roddelen. Maar dat bedoel ik niet. Roddelen maakt meestal wel dat de roddelaar zich wat beter gaat voelen dan degene waar hij het over heeft, maar niet persé dat hij een makkelijker leven heeft. Tenzij de toehoorder niet instemt met de roddel en rechtstreeks uit dat hij het niet eens is met de roddel. Dan voelt de sprekende roddelaar zich meteen een stuk minder goed. Maar aangezien veel mensen niet in staat zijn hun mening rechtstreeks te geven, is de kans groot dat de luisteraar zijn mening over de roddel weer zal meenemen en bespreken met een ander. Dat roddelt dan zo lekker door.

Ik ken mensen die nooit hun mening lijken te geven. Die fietsen gewoon verder, knikken eens een keer meewarig. Maar zullen nooit betrapt worden op het uiten van hun echte, persoonlijke mening. Tenzij er sprake is van een verleden tijd. Dan zeggen ze: ‘Dat wilde ik tóen al zeggen!’ Maar verder kabbelt hun leven rustig verder. Schadevrij naar de eindstreep, zo lijkt het. Ik vermoed dat ze dagboeken bijhouden waarin ze hun mening ongezouten geven. Hoe houden ze dat anders vol?

Het is niet alleen van alle tijden maar ook van alle lagen in de bevolking. In families, in scholen en in bedrijven. Overal herken je de mens die het niet kan laten om zijn mening te poneren. En de mens die nooit een mening lijkt te hebben hoort dat aan en knikt bedachtzaam, of trekt een ‘nou, ik weet het nog niet zo’-gezicht. Daarnaast babbelen de meelopers vrolijk mee, de ene dag met de mening van Hans en de volgende dag met die van Petra. Sommige mensen antwoorden altijd met een wat ingehouden lachsalvo, waarna ze zenuwachtig hun haar gladstrijken.

Wanneer je nou uitgerekend zo iemand bent die het niet kan laten de mening uit de mond (pratend) of de vingers (al typend) te laten stromen, dan maak je het jezelf niet gemakkelijk. Want dan stel je je kwetsbaar op. Je geeft mensen de kans om op jouw mening te schieten, hem helemaal aan gort te schieten. En jij moet blijven staan. Met het risico dat je als een ware revolverheld in een duel terecht komt. Het is de kunst om de mening te geven met de hand op de holster. Zonder het geweer te trekken als er op jouw mening geschoten wordt. Dat is een kunst waarvan de zwijgers vermoeden dat ze die niet beheersen, maar die ook zeker niet vanzelfsprekend beheerst wordt door de praters.

Spreken is zilver, maar zwijgen is goud. Een spreekwoord waar sprekers mee worstelen. Want wat gebeurt er als iedereen zwijgt en niemand meer zijn echte mening uitspreekt, reageert, of schrijft, of überhaupt ventileert? Dan houdt de wereld toch langzaam op met draaien. Lijkt mij. Maar ik ben dan ook geen zwijger.

Kan me voorstellen dat het best lekker moet zijn om een zwijger te zijn.. al zou ik dan echt wel diepblauwe vingers krijgen. Al die dagboeken die ik dan moest vullen!

Reacties

Onlangs bezocht ik de eindpresentaties van de Talentklassen van de toneelopleidingen die de Westelijke Mijnstreek rijk is. Het was een zonnige zaterdagmiddag, en de drie voorstellingen van de drie scholen beloofden aan de hand van de titels heel wat. Bijzonder ook, om dit mee te maken want de thema’s die voorbij kwamen reflecteerden de (be-)leefwereld van deze jongeren optimaal. Een aantal ouders had zowaar kaartjes gekocht om de voorstellingen te zien. Vreemd genoeg was er bij twee van de drie voorstellingen beduidend minder publiek dan bij die ene, die pas een jaar bestaat.

Welke thema’s er ‘bespeeld’ werden, vloeide voort uit maanden lang met elkaar praten, overleggen, uitproberen en bedenken. Bij de eerste en de laatste voorstelling herkende ik overlappingen, in theatertechniek, maar vooral in thematiek.  De solovoorstellingen die tussendoor door de talentvolle ‘laatstejaars’ werden gegeven, zetten de thema’s nog eens extra neer. Zo krijgt het publiek een indruk van wat die jongeren beweegt. Waarvan akte:

“Ik wil gezien worden. Ik wil dat ouders zien wie ik ben, wie ik echt ben, en mij accepteren. Dat ze trots op me zijn, zelfs als ik niet zoals hen ben.

Ik wil weten dat ik leef. Wat is dood? Hoe voelt dat? Maar: wat is leven dan? Hoe voel ik dat ik leef? En wat moet ik weten om ‘goed’ te kunnen leven? Wanneer weet ik genoeg?

Hoe ben ik een perfect mens? Moet ik aan al die verwachtingen voldoen die ouders en school voor mij bedenken? Of mag ik gewoon ‘zijn’? Wacht, hier is de handleiding, de handleiding om een perfect mens te zijn – een blanco pagina...

Ik doe hard mijn best om gezien te worden. Maar niemand komt spontaan naar mij kijken. Mijn vader ben ik (soms al jaren) kwijt, mijn moeder heeft geen tijd en tantes, ooms, neven en nichten komen ook niet naar mij kijken als ik hen vraag.”

Prangend. Prikkend. Het publiek moet het wel gevoeld hebben. En dan volgt uiteindelijk de conclusie:

“Uiteindelijk zal ik moeten leren mijzelf te zien. Mijzelf te accepteren en zelfs van mij te houden. Dan voel ik dat ik besta, dat ik leef. En ben ik mijn perfecte ik. Gewoon, zoals ik ben.”

Door de thema’s door middel van dramatechnieken door te werken, komen ze zelf tot het antwoord: niet wachten op de aandacht, goedkeuring of bevestiging van anderen. Bij jezelf blijven, goed weten wie je zelf bent en daarmee aan de slag gaan. Kijken hoe ver je kunt komen met je mooiste dromen! En het is aan ons, opvoeders, leerkrachten en docenten, om deze jongeren daar mee te helpen. Niet duwen of trekken. Begeleiden. Groot respect voor de toneeldocenten van deze opleidingen. Zij zien en horen alle verhalen en begeleiden de jongeren bij het doorwerken er van. Toneelles volgen is zoveel meer dan leren reciteren! Zoveel is wel duidelijk.

Dus: allemaal op toneel? Dat weet ik niet. In elk geval wél allemaal meer aandacht voor de Grote Ontdekking van Jezelf-toernee. Ergens tussen je 10e en 18e levensjaar.

Gezien: BFF (Jong Laagland), Le Nozze de Figaro (Theaterschool LEF), Ik ben Atalanta (Theaterschool Westelijke Mijnstreek), Stadsschouwburg Sittard, zaterdag 17 juni 2017.

Reacties

Dagelijks voer ik gesprekken met jonge, meestal gezonde mensen. Helaas gaan teveel van die gesprekken over een voornemen tot zelfdoding. De afgelopen week was het in bijna de helft van de gesprekken een thema. Wat maakt nou toch dat jongeren de gedachte ontwikkelen dat het een goed idee zou zijn om een einde aan het jonge leven te maken?

‘De Instagram-generatie, hè..’, zegt een collega. ‘Ze zijn teveel gepamperd!’, zegt weer een ander. Beide zullen voor een deel gelijk hebben. Verschillende oorzaken spelen een rol.

Ik kan me herinneren dat ik als kind aan tafel zat met mijn ouders, en dat ze spraken over iemand die zich had opgehangen. Dat werd in zeer bedekte termen gedaan. Ik kon alleen maar raden wat de ware toedracht zou zijn geweest. Het was ‘not done’ om in detail over zelfdoding te praten, het thema werd gemeden. Een taboe. Want zelfdoding is heus van alle tijden. Wat nieuw is, is dat we er openlijk over spreken. Dat we op tv in een Netflix-serie letterlijk in beeld gebracht zien hoe de zelfdoding effectief uitgevoerd kan worden. In talkshows (Pauw, 1 juni 2017) komen ‘ervaringsdeskundigen’ (dames die het – godzijdank – niet gelukt is zichzelf te doden) uitgebreid aan het woord. Alle aandacht. Wanneer iemand zichzelf doodt door zich voor de trein te werpen, wordt er omgeroepen dat de trein stilstaat ‘wegens een aanrijding met een persoon’. Waarom? Waarom wordt er niet gezegd dat de trein stilstaat ‘wegens een aanrijding’? Wat is de meerwaarde er van dat iedereen in de trein dan hoort dat het om een mens gaat?

Ik ben een groot voorstander van het bespreekbaar maken van problemen. Maar waar ligt de grens? Misschien wordt jongeren door alle aandacht voor het thema getoond dat het wel eens een snelle, en voor henzelf relatief gemakkelijke oplossing voor hun problemen zou kunnen zijn. ‘Ik stap er uit, dan hoef ik het niet meer te proberen..’ Als ik hen confronteer met wat er ná zo’n daad gebeurt, het verdriet van de nabestaanden, de problemen die vrienden er psychisch mee krijgen, dan is het een goed teken dat hen dat aangrijpt. Want ze willen niemand verdriet aandoen, of een ander in problemen brengen. De problemen waar ze mee kampen (meestal afwijzing, falen) lijken onoverkomelijk, ze weten niet hoe ze het moeten aanpakken en – en daar zit een deel van de clou – ze kunnen niet of durven niet om hulp te vragen. Voelen zich niet gehoord of gezien. Of de hulp is niet direct beschikbaar. Dat is tegenwoordig een groeiend probleem: wachtlijsten in de  psychische hulpverlening. Het één veroorzaakt het ander, of de kip nou eerder was dan het ei blijft de vraag. Welke wegen kunnen er naast professionele hulpverlening bewandeld worden? Met wie kunnen ze in gesprek, zonder be- of veroordeeld te worden?

Had ik maar de Oplossing voor de twijfels van de jongeren. Kon ik maar iets zeggen waardoor ze zich minder onmachtig hoeven te voelen ten opzichte van het leven. Hun problemen zijn niet zo groot zijn dan ze nu lijken. Ik vertel soms delen van mijn eigen levensverhaal om te laten zien dat periodes waarin alles tegen lijkt te zitten niet het einde hoeven te betekenen. Dat deze periodes juist levenslessen bevatten, ervaring opleveren die gebruikt kan worden om uiteindelijk positiever in het leven te staan en meer te genieten dan ooit. Dat vergt moed en hard werken. En uiteindelijk moet iedereen het zélf doen. Therapeuten kunnen zich urenlang met iemand bezighouden, maar als die persoon niet zelf de noodzakelijke stappen onderneemt, door de pijn heen gaat om te groeien, dan heeft de hele therapie geen enkel nut.

Zelf doen. Hulp vragen. Kijken naar wat er allemaal wél is. Praten over wat je bezighoudt. Je kwetsbaar opstellen. Werkelijk iets doen met de adviezen die je krijgt. Laten we de media gebruiken om te laten zien dat problemen overwonnen kunnen worden, hoe je dat kunt doen en wat er jou na moeilijke fases allemaal voor moois in het leven kan overkomen!

Ik wil benadrukken dat er uiteraard mensen zijn die door hun fysieke beperking, verslaving of ernstige psychiatrische aandoening, helemaal niets hebben aan mijn kijk op de zaak. Deze mensen hebben werkelijk behoefte aan intensieve hulpverlening. Maar wanneer mensen niet in deze categorie thuishoren dan hoop ik dat een positievere, open aanpak een verschil kan maken.

Ik wens iedereen een zonnige dag. Stap er in, in dat leven.. Geniet van wat er wél is, allemaal!

PS. Ben jij of ken jij iemand die gedachten heeft over zelfdoding? 113online staat voor je klaar, 24/7! Kijk op www.113online.nl of bel 0900 – 0113.

Reacties

‘Bijen hebben geen tijd voor flauwekul.’ Dat bedoel ik! Als je zo druk bezig bent met overleven, met voedsel verzamelen en bouwen aan de voorraad (in dit geval honing), heb je geen tijd om bezig te zijn met het Grote Hoe of Waarom. En ook niet met Wat Als. Of met Ergens Anders. Je bent zo druk dat je niet even op een bloemetje kunt gaan zitten filosoferen over ‘of ik wel gelukkig ben’

De mens, daarentegen, heeft door de technologische vooruitgang steeds meer lege tijd. Bergen tijd om te vullen, want de natuur van de mens dringt aan op activiteit: je moet wel iets dóen om gelukkig te kunnen voelen. Maar is op een steen zitten nadenken over ‘of ik wel gelukkig ben’ dan genoeg?

Op TV en radio werd ik bestookt met lekkermakers voor het TV-programma ‘De wereld rond met 80-jarigen’, op SBS6. Hoewel ik niet hou van reality-tv, en al helemaal niet van zware sponsoring die voortdurend in beeld komt, vond ik dit wel intrigerend. Ik heb inmiddels de eerste twee afleveringen gezien, en ik vind het een aandoenlijk, hartverwarmend verhaal. Elke aflevering is een feest! Acht mensen van om en nabij het 80ste levensjaar (de oudste is 83 jaar) hadden in hun leven geen tijd gehad voor flauwekul, ze moesten werken als de bijen. Ze hebben simpelweg gedaan wat ze moesten doen: zorgen voor het levensonderhoud van henzelf en de kinderen, met in hun kielzog de kleinkinderen. Geen tijd voor malle toestanden, geen geld voor verre reizen. In hun hoofd weinig plek voor dromen. Hoewel.. nu gaan ze tijdens hun reis wel nog een droom waarmaken. Ieder voor zich.

Het is ontzettend mooi om te zien hoe de ouderen reageren op alles wat ze meemaken. Hoe ontwapenend rechtstreeks de reacties zijn: ‘Nou, ik vind het maar koud in Moskou. Het is Moskoud, wat mij betreft!’, ‘Oh jaaa, dat is een waterpijp.. nou, dan ga ik voor het eerst high worden!’ Ze spreken niet of nauwelijks Engels of welke andere taal dan ook behalve hun regionaal getinte Nederlands. Het allermooist is te mogen meekijken naar hun reacties als die ene droom waargemaakt wordt. Als de man die zijn hele leven een circusschool heeft gedreven, achter de schermen in het Russisch Staatscircus mag rondwandelen. Het genot en de tevredenheid spatten van zijn rood aangelopen gezicht af. De tranen stonden in zijn ogen, en hij had er geen woorden meer voor. De overige 7 bejaarden genoten van hoe híj genoot, ze voelden met hem mee. Na Moskou was Dubai een de beurt. Zwaar onder de indruk van de pracht en praal, onhandig vanaf de 70ste verdieping bellend naar de Room Service (‘ik wil twee witte boterhammen. En een gebakken ei.’- ‘Sorry Sir, I need you to order.’ – ‘Ja, dat zeg ik. Twee boterhammen en een gebakken ei!’). Het is vertederend. 

Maar ook: het verdriet van de dame die haar man verloren is, en hem al twee jaar elke dag mist. Ze huilt als ze alleen op de hotelkamer in Moskou ligt. Ze had het zo vreselijk graag met hem gedeeld. Ze had graag met hem samen al die landen bezocht en al die mooie momenten meegemaakt. Het leven kan hard zijn, wat dat betreft.

Deze mensen hebben hun leven lang gewerkt, als nijvere bijen hebben ze honing aangesleept voor hun Koninginnen. Ergens in hun hart leefde een droom, die ze al wilden vergeten, zo aan het einde van hun verhaal. Die dromen mogen nu alsnog beleefd worden. Hebben ze dan een rotleven gehad? Nee. Ze zijn allemaal blij met alles. Dankbaar, tevreden en (en dit woord is echt uit de mode geraakt): nederig. Ze zijn overdonderd door alle traktaties in deze reis. En nederig? Ja. Ze voelen zich klein in al die weelde. Hun Hollandse nuchterheid maakt dat ze denken dat ze het misschien niet waard zijn, al die luxe. 

We zijn allemaal zo gewend geraakt aan de weelde om ons heen. Geen vaatwasser? Oh jee..! Mijn oma’s hadden een paar dagen nodig om de was van het gezin te doen, elke week weer. Ik, daarentegen, zet de wasmachine aan en ga een boekje lezen. Dat had ik mijn oma’s ook wel gegund. En als ik had geweten wat hun dromen waren, had ik ze accuut aangemeld bij SBS6.. 

Voor jullie, oma’s! Goeie reis!

Reacties

Nietsvermoedend zap ik op een maandagavond langs de NPO zenders. Mijn zapvinger stopt bij de beelden van een heel klein Chinees jongetje dat in een vuurrood trainingspak met een verbeten uitdrukking op zijn lieve gezichtje hoog in de lucht trapt. Ik zie een legioen van kleine jongetjes op bijna militaristische wijze rondjes rennen, in rijen van vier, op de maat. ‘Hoe oud ben jij?’, vraagt de nog jonge verslaggever. ‘Ik ben zeven jaar’, antwoordt het jochie beduusd. ‘Hoe vaak zie jij jouw ouders?’ ‘Twee keer per jaar, meneer’… ‘en word jij wel eens geknuffeld?’ ‘Nee,’ zegt zijn moeder die inderdaad op bezoek is. ‘Wij knuffelen onze kinderen niet want dan worden ze niet zelfstandig.’ De verslaggever probeert het nog: ‘..maar hij is ZEVEN…’

Een Nederlandse jongedame is vervolgens als verslaggeefster verzeild geraakt in Japan. Ze is het thema Eenzaamheid aan het uitpluizen, want dat schijnt een Japans probleem te zijn. De volmaakte Japanse samenleving kent een enorm aantal zelfmoorden. Dertigduizend (30.000!) mensen kiezen er jaarlijks voor een gewisse dood. Er zijn zelfs boeken in de kiosk te koop, waarin exact omschreven staat hoe je dat moet aanpakken zodat de poging ook succesvol zal zijn. Er is een bos waar je in zult verdwalen, om te sterven in eenzaamheid en op te lossen in het niets. Dat is wat ze willen, de ‘Hikikomori’. Het Japans heeft er zelfs een woord voor, zo groot is het fenomeen dus wel. Hikikomori zijn Japanse jongeren die zich terugtrekken uit de maatschappij, niet deelnemen aan sociaal verkeer, bang geworden voor het gezichtsverlies dat ze zullen lijden als de buurman erachter komt dat ze niet perfect zijn.

Ik zocht op Wikipedia naar de betekenis van het woord ‘Hikikomori’. Dit vond ik, als eerste regels op die pagina:

“Hoewel dit verschijnsel in Japan als een uniek syndroom wordt gezien denkt men dat het wereldwijd voorkomt. In andere landen wordt er eerder een andere benaming aan gegeven, zoals sociale fobieontwijkende persoonlijkheids-stoornisautismespectrumstoornisagorafobieburn-out of depressie

In mijn dagelijkse werk als studentendecaan zie ik met regelmaat studenten die inderdaad een sociale fobie ontwikkeld hebben, die autistisch zijn, agorafobie, burnout en depressie-diagnoses hebben. Niet alleen ons instituut, maar alle instituten in heel Nederland is opgevallen dat het aantal jongeren met dergelijke symptomen in zorgwekkende mate toeneemt. Ook het aantal zelfdodingen is enorm toegenomen de laatste jaren. Ons team studentpsychologen is dan ook verdubbeld in de afgelopen twee jaar.

Maar, terug naar Japan.. hoezo, Hikikomori? Waar komt dat vandaan?

In de perfecte Japanse samenleving werken mensen 16 tot 17 uur per dag. Er is geen tijd voor veel sociaal verkeer behalve dat met collega’s. Door de schaamtecultuur draagt iedereen als het ware een masker. Niemand durft zijn ware gezicht te laten zien. Niemand kan zwakte of gevoel tonen zonder meteen afgeschoten te worden. Dat past niet in de perfectie van de Japanse samenleving. Ze gaan op stap met hun baas en zuipen zich helemaal scheel om bij hem in een goed blaadje te komen. Heus, ik zag het op tv. Of kan ik dat niet geloven?

Er werd melding gemaakt van een nieuwe service die aangeboden werd, daar in Tokyo: Huur een vriend(in)! Betalen om iemand een uurtje met je mee te laten lopen, om je hart te luchten, om te delen zonder veroordeeld te worden. Veertig euro per uur, en je kunt een kop koffie gaan drinken of samen in het park wandelen, wat dan ook. Betaalde vriendschap. Waarom? ‘Zij heeft geen oordeel over mij, zij luistert naar wat ik zeg en vindt daar verder niets van.. ik hoef niet bang te zijn voor wat zij over mij denkt’, zegt de jongeman die juist een vriendinnetje gehuurd heeft.

Dat is dus waar al die angst vandaan komt. Hier moeten we even goed bij stil staan. Dus daar gaat het om, vertrouwen! Er is geen enkel vertrouwen in de wereld om de Japanner heen. Wij denken dat we dat wel anders geregeld hebben. Is dat zo, is mijn vraag. Wie kunnen wij nog werkelijk vertrouwen? Op school, op het werk, in onze vriendengroep? Worden wij niet ook steeds vaker beoordeeld, of zelfs veroordeeld? Wie luistert er naar de jongeren, zonder daar een oordeel over te hebben? Ouders willen prestaties zien (en hemelen zelfs de allerkleinste prestatie huizenhoog op), scholen willen prestaties zien (en worden er hard op afgerekend door de overheid als die prestaties achter blijven), werkgevers willen uiteraard niets liever dan werknemers die zonder geklaag lange dagen maken (en worden geconfronteerd met hoge kosten bij uitval door ziekte/burnout van die werknemer).

Na de uitzending moest ik de TV even uit zetten. Dat kan. Maar hoe zetten we deze ontwikkeling uit? Hoe kunnen we opnieuw vertrouwen installeren in mensen? Zelfvertrouwen, maar ook vertrouwen in anderen. Verbinding zoeken, ergens bij horen waar je ongegeneerd jezelf mag zijn, is dat een begin? Laten we daar eens goed over nadenken met zijn allen.

Want zeg nou zelf. Wil jij jouw zoon, dochter, zus, broer, nicht, neef, vader, moeder, oom, tante, leerling, student, collega, vriend.. het bos in zien wandelen om te verdwalen en in eenzaamheid te sterven? Nee toch? 

Reacties

Hoe welvarend een land is, en hoe verwend haar mensen zijn, is af te lezen aan een groot aantal zaken. Opgroeiend in welvaart, verliest het individu het gevoel voor wat ‘normaal’ is. En ik kan het weten. Zonder schroom deel ik met u het bewustwordingsmoment dat ik recentelijk beleefde en dat mij daar direct mee confronteerde. 

 

Het grote moment speelde zich af op het toilet van een hotel dat ik geboekt had voor een lekker weekendje weg met mijn grote liefde. Niet in een ver weg buitenland, niet in een metropool ergens in Europa, maar in een kleine Brabantse stad bevond zich onze herberg. Mooi hotel, ruime kamer, alles prima in orde. De dagelijkse behoefte om zo nu en dan gebruik te moeten maken van de sanitaire voorzieningen gaat ook niet aan mij voorbij, dus daar zat ik dan. Op het mooie badkamertje, op de fraaie toiletpot. En wat mij toen opviel, tot mijn grote opluchting, was dat zelfs het toiletpapier in orde was! Geen goedkope ‘ecologisch verantwoorde’ crèpepapier-variant. Geen 1-laags papiertje waar volgens mij echt íedereen meteen met de vingers doorheen drukt tijdens de onhygiënische handeling die we verplicht zijn uit te voeren.  Nee, dit hotel was zó in orde dat de uitbaatster gekozen had voor de zeer luxe 4-laagse variant! Wat een feest! Gelukkig nog net niet de geparfumeerde variant, want dat gaat zelfs mij te ver.

 

En toen besefte ik plots hoe vreselijk verwend ik ben. Schandalig zelfs. Dat ik de luxe heb om me druk te mogen maken over de kwaliteit van het toiletpapier in mijn hotel. In een wereld waar de contrasten tussen arm en rijk met de dag groter worden, wil ik niet geconfronteerd worden met schuurpapier aan de muur van het toilet. Nee, ik wil dons. Overal en altijd warmte en gezelligheid. Hoe absurd is dat eigenlijk?

Natuurlijk denk ik wel dat ik het verdien om af en toe verwend te mogen worden. Ik werk hard, voed twee pubers op, probeer iets bij te dragen aan de maatschappij op één of andere manier. Maar toch. Het gaat wel erg ver. Aan de andere kant van de wereld wast een vrouw haar haren met rioolwater waar haar buurman net in gepoept had. Bah? Jazeker bah. Maar dat is haar ‘normale’ werkelijkheid. Mijlenver verwijderd van de mijne. Nu voel ik geen behoefte mijn haren te gaan wassen in het badwater van een ander, maar ik werd me wel ineens erg bewust van de absurditeit van de luxe waar ik in leef. 

We hebben het zo goed voor elkaar, dat we het zicht verloren zijn op wat ‘normaal’ is. Het is mij ook niet duidelijk wie de norm in ‘normaal’ bepaalt, wat dat betreft. Is ‘arm’ normaal? Is ‘rijk’ normaal? Mijn oma zei altijd dat alles waar ‘te’ voor staat niet goed is. Ergens in het midden zal de waarheid wel weer liggen, neem ik aan. Maar welk midden is dat? Het midden van de vrouw in India, of het midden van de vrouw in Nederland? Wie zal het zeggen, zeg ik dan maar.

 

In elk geval heb ik na mijn ‘aha-moment’ netjes mijn handen gewassen (met het schoonste water van Nederland) en daarna mijn weg vervolgd. Maar elke keer dat ik buitenshuis gebruik maak van het toilet, ben ik tegenwoordig gewoon al blij dát er papier aanwezig is. 

Zal ik het daar voorlopig maar op houden? 



Reacties

Halverwege mijn drie weken durende detox-periode maak ik de balans op. Facebook, Messenger en Instagram heb ik verbannen uit mijn leven. Waar ze het eerste waren wat ik op een dag bekeek, en het laatste waar ik maar al te vaak mee afsloot, zijn ze nu heel ver op de achtergrond geraakt in mijn dagelijkse leven.

Wat levert een SM-loze periode op? Men voorspelde mij dat ik me veel beter zou gaan voelen, dat ik meer rust zou gaan ervaren en dat ik meer focus zou gaan krijgen bij de dingen die ik doe. En ik kan je vertellen: dat klopt. Allemaal. Al na anderhalve week merkt mijn omgeving dat ik rustiger ben en met meer aandacht gesprekken volg. Ik moet bekennen dat ik niet ‘handy-free’ ben. Mijn mobiel is nog steeds aanwezig en ik gebruik het ding om te Whatsappen, mails te zien en te beantwoorden, en een paar vermaledijde spelletjes te spelen. Wordfeud en CandyCrush, zeg ik met schaamrood op mijn kaken. Een leven zonder mobiele telefoon, dat is een stap die mij tegenwoordig te ver gaat. En dat is op zich dan ook wel weer vreemd. Want ooit waren we helemaal niet altijd bereikbaar, en werden telefoontikken geteld want bellen was duur. Daarom mocht ik als kind alleen bellen als het echt dringend was. Dus niet om zomaar een lusteloos “Enne?” in de hoorn te fluisteren, zoals mijn kinderen nu “Hoestie?” naar elkaar tikken in Whatsapp. Of wat het dan ook is dat ze de godganselijke dag door appen.

Geen berichten, weinig tot geen nieuwsberichten ook, geen ruis op mijn kanaal. Ik moet zeggen dat het leven zonder al die invloeden best goed is. Ik hoef er geen last van te hebben dat er in de verre en nabije wereld allerlei ellendigheid is. Die is er ook als ik er niet van af weet, en ik me niet aangesproken voel door zoveel leed. Ik voel me niet schuldig, niet medeplichtig, ik ben geen voyeur. Ik ben gewoon bezig met mijn eigen kleine leven en dat van de mensen die dicht bij mij staan. Meer niet.

Ik lees trouwens nu, in al die tijd die ik mezelf cadeau gegeven heb, een boek over de invloed van muziek op het brein, geschreven door Oliver Sacks. Een dikke pil, kan ik je zeggen. Het bracht mij op een gedachte. Als muziek al zo’n grote invloed heeft op het brein (gewild én ongewild), wat doet de voortdurende berichtenstroom via de diverse media, die overal om ons heen, en zomaar in onze hand is, dan met ons?

Mijn detox-periode duurt nog anderhalve week. Of ik daarna de draad weer oppak? Eigenlijk weet ik dat nu nog niet. De stilte, de rust, eigenlijk bevalt dat wel. We zullen zien wat de komende week aan ervaringen brengt..

 

PS. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ik wel 1 keer op Facebook geweest ben. Om tags te verwijderen uit berichten waar ik niet om gevraagd had. Oh ja. Dat doen mensen op Facebook. Zucht.

Reacties
LizetteStreeft

In de Rotterdamse haven draait men een proef met geautomatiseerde systemen. Het lossen van de vracht van grote schepen is deels nog wel mensenwerk, maar vanaf het moment dat de trossen vastgelegd zijn door de ruwe mensenhand, komt er geen mannetje meer aan te pas. Nou: ééntje dan. Die zit met de joystick in de hand in een leren zetel in de stuurkamer. Beneden, buiten, gebeurt alles verder geheel automatisch. Vlekkeloos glijdt de kraan naar het schip, takelt de containers er één voor één vanaf en zet ze neer op een vrachtwagen die (zonder bestuurder) gladjes de weg zoekt naar de opslagplek. Daar aangekomen doet weer een automatisch aangestuurde kraan de rest en tilt de container op de opslagplek. Glad en zonder hobbels verloopt het proces. Onder aansturing van één meneer. Prachtige vooruitgang, mogelijk gemaakt door de techniek. Toch?

Maar: waar zijn de andere havenwerkers gebleven? De haven van Rotterdam was in het verleden toch een bron van inkomsten voor vele arbeiders die, hoewel ongeschoold, zeker wel van wanten wisten? Waar zijn ze gebleven, de mannen met armen als staalkabels? Ik probeer mij een voorstelling te maken van wat er gebeurt als de techniek het overgenomen heeft en de arbeider overbodig geworden is.

In het eerste, meest onwaarschijnlijke scenario hebben de arbeiders een flinke bonus gekregen. Flink genoeg om het gezin eens in de vier maanden te trakteren op een prettige vakantie, een beduidend grotere woning aan te schaffen, elk volwassen lid van het gezin van een Audi te voorzien, de studies van de kinderen geheel te betalen en de vrouw des huizes te fêteren op een plastische behandeling die haar zo goed als nieuw maakt. Vanaf de dag dat de techniek zijn intrede deed heeft het de levens van de arbeiders werkelijk mooier gemaakt.  In dit fantastische scenario dan toch. Overigens lijkt dit scenario aardig op wat er gebeurt als bankdirecteuren de zaak noodgedwongen moeten verlaten. Dat terzijde.

Het tweede, meer waarschijnlijke scenario is helaas anders. De arbeiders zijn er met een jodenfooi uitgewerkt, hebben zogenaamde jobcoaching gehad die nergens toe geleid heeft en zitten over een paar jaar in de bijstand. Moeders zal een baantje er bij moeten zoeken, dan heeft ze er twee, als schoonmaakster. De kinderen hoeven niet eens te dénken aan doorstuderen. Dat wordt hamburgers bakken bij de MacDonalds of kiphormonenburgers bij de KFC. Een eigen auto zit er voorlopig niet in voor het gezin, laat staan voor de jongeren.  Vaders is zijn rol als kostwinnaar kwijt en vraagt zich dagelijks én nachtelijks af hoe het zo ver heeft kunnen komen. En ziet geen uitweg maar alleen robots om zich heen als hij een poging doet in de nacht tot rust te komen.

Laten we dan eens nadenken over een derde scenario. Hoe het óók kan. Mét technologische ontwikkelingen. In het derde scenario heeft elke Nederlander een basisinkomen. Laten we zeggen, 1000 euro per maand. Daar hangen geen voorwaarden aan vast zoals sollicitatieplicht of verantwoording. Dat geld krijgt elke Nederlander maandelijks op zijn rekening. Daarmee kan de huur betaald worden, voeding of kleding, elke Nederlander mag zelf beslissen waar hij dat geld aan spendeert. Te gek voor woorden, hoor ik u roepen. Onmogelijk! Toch zou dit betekenen dat de basisbehoeften (vandaar: basisinkomen) afgedekt zijn. Geen zorgen betreffende de primaire behoeften, al is het nog steeds geen vetpot als het bij 1000 euro per maand blijft. Een gemiddelde student heeft in Nederland zo’n 1200 euro per maand nodig om rond te komen. Zonder bachanale toestanden: gewoon rondkomen. Wil de arbeider uit de haven dus meer dan 2000 euro (want zijn vrouw krijgt ook het basisinkomen) per maand, of heeft hij meer nodig, dan zal hij in actie moeten komen. Laat die arbeider nou bedacht hebben dat hij samen met zijn vrouw een mobiel restaurant wil beginnen? Of een groententuin, waarvan hij de oogst gebruikt om potten pastasaus te maken die hij wil verkopen? Of een kleine auto wil aanschaffen om pakjes rond te brengen? Of.. of.. of…? Hij zal in elk geval mogen kijken naar wat hij wíl en wat hij kan doen, en daarnaast ook de rust hebben om bijvoorbeeld het gras van de lokale voetbalclub elke week te maaien. Ik noem maar iets. Ik hoop dat u, mijn lezer, zelf in staat bent positief te kijken naar de talloze mogelijkheden die onze arbeider heeft in deze constellatie.

Welk scenario  is het meest kansrijk, denkt u? De documentaire van VPRO’s Tegenlicht (zondag 26 april 2015) heeft de mogelijkheden van de automatisering mooi in beeld gebracht. Ik wacht op de sequel: Over-leven na het werk. En dan?

 

Reacties

Zeker, ik ben me er van bewust dat iedere generatie hetzelfde zegt over de jongeren. Elke generatie heeft iets te klagen over de jongeren. Tenslotte herhaalt de geschiedenis zich. Traditioneel zeggen ‘oudere’  mensen dat de jeugd lui is, niks nuttigs doet, en zich nergens iets van aantrekt. Toen ik een puber was hoorde ik ‘oudere’  mensen zulke dingen ook zeggen maar eerlijk gezegd dacht ik dan altijd dat ze het over de anderen hadden, want ik herkende mijzelf niet in hun kritiek.

Inmiddels ben ik zelf op weg een ‘oudere’  te worden, en ik kan het niet ontkennen: ook ik begin een mening te ontwikkelen over de zogenaamde Jeugd van Tegenwoordig. Jammer vind ik het. Echt heel jammer. Ik had zo graag afgeweken van de norm. Ik had zo graag willen zeggen dat de nieuwe generatie verfrissend anders is, vernieuwend en verbazingwekkend gemotiveerd om iets te veranderen, iets bij te dragen aan onze vileine wereld.

Helaas. Ik krijg er buikpijn van als ik hoor wat ze zeggen, als ik zie wat ze doen en als ik lees wat ze schrijven – met name op de ‘sociale’ media.. Deze mensen zijn op weg onderdeel te gaan uitmaken van onze maatschappij, ze moeten de in verval geraakte economie gaan opvijzelen, onze pensioenen enigszins veilig stellen en de wereld leefbaar houden en maken voor de alweer volgende generatie. In plaats daarvan maken ze zich met name druk om de materiele dingen die volgens hen nog ontbreken aan hun geluk. Talloze voorbeelden ken ik van jongere dames die echt niet gelukkig kunnen zijn als ze hun nagels niet elke week laten bijwerken en zich alleen maar druk lijken te maken om de kleur van hun haar. Ik zie en hoor jongens die het belachelijk vinden, een bijbaan, werken voor een minimumloon en doen wat de baas vraagt. Ronduit dom hoor, als je dat doet. Blijkbaar hebben zij een manier ontdekt om geld te krijgen die ik nog niet ken, want zij rijden rond in een te dure auto, dragen dure zonnebrillen en hebben niks zinnigers te doen dan op stap gaan, dronken worden en uitslapen. Heb ik toch ergens iets gemist en doe ik toch blijkbaar iets helemaal verkeerd. En ze gedragen zich op een bepaalde manier als peuters. Ze willen iets en ze willen het NU. Niet straks, niet later. NU. En als dat niet kan, dan wordt er een flink drama uit de kast getrokken waar ouders dusdanig van schrikken dat ze dan toch maar heel snel tegemoet komen aan de oh zo dringende wens van de dreinende puber.

Eerlijk is eerlijk: er zijn natuurlijk uitzonderingen. Godzijdank zijn er uitzonderingen! Jongens en meiden die wel lid zijn van een vereniging, die daar ook nog echt tijd voor vrij maken en meehelpen zonder dat daar geld tegenover moet staan. Jongeren die wel een baantje als vakkenvuller hebben (en dat in het gezelschap van andere jongeren liever niet vertellen – sinds wanneer mogen we er niet meer trots op zijn dat we werken voor ons geld?), die sparen voor zoiets als een opleiding voor het rijbewijs. Ouderwets, bijna. Maar is het daarom minder cool? Een bepaald deel van de generatie NU lijkt dat te denken. Zij leven vooral in het NU en helemaal nog niet in het LATER. En LATER zullen we dan wel zien hoe het verdergaat. En wat deze generatie, die dan weer de ‘oudere’  generatie is, van mening zal zijn over de dan weer aanstormende jongere generatie. Ik hoop het nog te mogen meemaken en dan te kunnen verzuchten tegen de klagende generatie: ‘De geschiedenis herhaalt zich, mensen, de geschiedenis herhaalt zich. En dat is alles.’ 

Reacties

“Mijn vader heeft al Engels gestudeerd maar die doet nu iets heel anders, die is webdesigner..”, zo onderbouwde de 18-jarige studente haar besluit om na afloop van de middelbare school toch niet te kiezen voor een WO studie Engelse Taal- en Letterkunde. “Dus, als ik het goed begrijp, vind jij dat jouw vader in zijn studiekeuze gefaald heeft. Want nu doet hij iets heel anders dan waarvoor hij gestudeerd heeft?” “Ja, eigenlijk wel.” Daarom heeft zij gekozen voor een meer gerichte beroepskeuze: Vertaler. Nog steeds vindt ze Engels het leukst, Spaans niet zo, het vertalen niet per sé. Maar om nou een studie te kiezen waarin je je uitsluitend richt op één taal, zoals haar vader gedaan heeft... De beroepsontwikkeling van haar vader toont in haar ogen aan dat dit geen goede gang van zaken zou opleveren: dan blijf je niet bij je eerste keuze. En heb je dus eigenlijk gefaald.

Een voorbeeld uit mijn praktijk als studentendecaan: eerstejaars studenten die halverwege het studiejaar niet helemaal zeker meer zijn van hun studiekeuze. Om allerlei redenen, overigens. Maar dat de ontwikkeling van het beroepsleven van de ouders op deze manier de studiekeuze kan beïnvloeden, dat had ik zelf nog niet bedacht. Op open dagen vraag ik ouders vaak of ze nu nog werken in het beroep waarvoor ze ooit gestudeerd hadden. Elke keer weer wordt dan bevestigd dat het merendeel van de ouders na het afstuderen iets heel anders is gaan doen. Dat het beroepsleven zich door de jaren heen in andere richtingen ontwikkeld heeft. Tenzij ze arts of verpleger zijn, die zijn in de wieg gelegd om te doen wat ze doen en blijven dat doen. Waar ik mij nog niet zo van bewust was is het aspect dat de kinderen het veranderen van beroep dus blijkbaar zien als een manier van falen: de eerste keuze heeft duidelijk niet gewerkt. En dat was toch wel de bedoeling?

De ouders hebben hun beroepskeuze veranderd door de jaren heen. Dat bevestigt voor de jonge kiezers dat de studiekeuze die aan de eerste beroepskeuze vooraf ging dus niet goed was. De beroepskeuze wordt immers aan onze 14- en 15-jarigen voorgesteld als iets definitiefs: als je kiest voor een opleiding, kies je definitief ook voor dat beroep. De werkelijkheid is echter weerbarstig: de koers van het leven, de ontwikkelingen in de economie, de persoonlijke groei – allemaal factoren die er toe kunnen leiden dat de eerste beroepskeuze gaandeweg herzien wordt. En dan kan een Taal- en Letterkundige twintig jaar later zomaar veranderd zijn in een webdesigner. Een ontwikkeling die dus inderdaad vrij ‘normaal’ te noemen is.

Daarmee is de studiekeuze en de twijfel over deze eerste keuze onmiddellijk te relativeren: je kunt nu een keuze maken, maar dat betekent niet dat je voor de rest van je leven in dat métier actief zult blijven. Gaandeweg stuur je bij, om allerlei redenen waarvan ‘ervaring’ geen onbelangrijke is. Dat is een normaal gegeven, dat is geen falen. Dat is ontwikkeling. Met deze insteek vermindert de druk van de eerste studiekeuze ook drastisch: je eerste studie is een beginpunt, en geen eindpunt. Het einde van het loopbaankeuzeproces is na ja afstuderen nog lang niet in zicht!

Eigenlijk is de studiekeuze of beroepskeuze die op de middelbare schoolleeftijd gemaakt wordt beter te zien als de eerste stap in een ‘loopbaankeuzeproces’, dat zich vanaf dan nog tientallen jaren zal blijven ontwikkelen. Steeds weer volgen er nieuwe stappen, nieuwe keuzes en komen er nieuwe opleidingen en trainingen op het levenspad. Pas na vele, vele jaren kan iemand dan hopelijk zeggen dat hij of zij zich steeds meer ontwikkeld heeft in een richting die echt goed past. Om dat al van iemand te verwachten die pas 16 of 17 jaar is, dat is wel heel erg veel.

“Heb jij jouw vader al eens gevraagd hoe het kan dat hij nu webdesigner is geworden?” “Nee, eigenlijk niet.” “Begin daar eens mee. En vraag dan ook je ooms en tantes maar eens wat ze doen en wat ze gestudeerd hadden, ooit.” De studente zucht. “Dit lucht wel op zeg. Ik ga hier eens goed over nadenken, mevrouw.” De Vertaalacademie lijkt plotseling toch niet zo’n slechte keuze, geeft ze aan. Misschien kan ze van daaruit ook nog andere dingen gaan doen, straks..  Waarom ook niet. Het leven is één groot groeiproces, met bochten en kronkels die ‘ontwikkeling’ heten. Ze is pas 18 jaar. Wie weet..

Reacties

Een paar jaar geleden zag ik een documentaire over een leraar in Japan*. De man had een stralende reputatie, was een zeer geliefd meester. En waarom? Omdat hij lesgaf met hart en ziel, met open ogen, open oren en een open hart. En vooral: omdat hij de leerlingen zijn vertrouwen gaf. Het vertrouwen dat ze alles zouden kunnen leren, als ze dat wilden. En dat de kracht nu juist in het vertrouwen lag, en in de band tussen de klasgenoten. De leerlingen leken zich te verheugen op elke dag dat ze weer naar school mochten gaan. Ze voelden zich gezien, gehoord en geliefd. Er was een grote vertrouwensband niet alleen tussen leerkracht en leerlingen maar ook tussen de leerlingen onderling. 

Een paar jaar geleden ontdekte ik ook het één en ander over het Finse onderwijssysteem. Inmiddels hebben veel media hier verslag over gedaan, mogelijk heeft u er zelf ook al iets over gehoord. Wat mij frappeerde in het hele systeem is dat het allemaal draait om (alweer) vertrouwen.  Er is geen onderwijsinspectie, men vertrouwt erop dat de docenten er alles aan doen om de leerlingen op de meest doeltreffende, juiste wijze te begeleiden. Docenten zijn universitair geschoold, en hebben aanzien. Dat betekent dat ouders erop kunnen vertrouwen dat deze mensen hun kinderen op de best mogelijke manier onderwijzen.

Zo langzamerhand kom ik er achter dat VERTROUWEN het sleutelwoord is. Wanneer mensen het vertrouwen krijgen, zelfvertrouwen maar ook het vertrouwen van een ander, dan gaan de prestaties de betere kant op. In het onderwijs met name, omdat hier met jonge mensen gewerkt wordt die volop in ontwikkeling zijn. En juist zij hebben vertrouwen nodig: ze moeten allereerst de onderwijzers kunnen vertrouwen - en op de kennis van de onderwijzers. Daarnaast moet er vertrouwen in de (jonge) leerlingen zijn. Het vertrouwen dat ze daadwerkelijk de wil hebben en in staat zijn te leren, veel te leren van wat ze nodig hebben om een zinvol leven te leiden. Wat dat zinvolle leven dan inhoudt, zullen ze gaandeweg gaan ontdekken wanneer ze met vertrouwen en in vertrouwen, op eigen wijze hun levenslessen mogen leren.

Een onderwijssysteem dat gebaseerd is op vertrouwen kent geen inspecties, geen onnodige (stressvolle) audits, geen afrekensysteem. Een vertrouwenrijk systeem stoelt op kwaliteit van leerkrachten, op normen en waarden en op een positieve visie ten aanzien van de mogelijkheden die elk mens heeft om zich te ontwikkelen - op welk niveau dan ook. 

In Nederland heerst helaas nog teveel de Calvinistische mentaliteit. We moeten bloed, zweet en tranen zien voordat we geloven dat iets goed is. Docenten en directies zijn door de angst voor de controlewaanzin en rendementsdruk tot het uiterste gedreven en hebben tot overmaat van ramp het vertrouwen verloren in het leeuwendeel van de aanstormende jeugd die door prestatiedruk ook niet meer weet waar ze het moet zoeken. Het tij moet keren, en snel ook. De toekomst waarin Artificial Intelligence ons als mensen overbodig dreigt te maken, schreeuwt om vertrouwen. Mensen zullen een berg vertrouwen nodig hebben in zichzelf en het leven, om een weg te vinden in een wereld waarin de baangaranties niet langer bestaan. Onze kinderen kunnen namelijk niet allemaal ICT-er worden. Een flexibele, creatieve manier van denken en leven is wat de toekomstige generaties nodig zullen hebben. En wanneer is een mens het meest flexibel en creatief? Juist. Wanneer hij bulkt van het vertrouwen!

 

* De Japanse Levensles - de klas van Mr. Toshiro Kanamori (Youtube)

 

Reacties

Wat een ongelooflijk goed leven hebben wij, hier in Nederland. Kijk nou eens om je heen. Is het dan allemaal zo erg? Natuurlijk zijn er ziektes waardoor mensen erg moeten lijden - maar we hebben wel de mogelijkheden om hen zorg te bieden en hen de kans te bieden op genezing. Al lijken die mogelijkheden minder toegankelijk en duurder te worden: vergeleken met de zorg in andere landen, gaat het in Nederland nog goed. En mogen we daar blij mee zijn? Ja, daar mogen we blij mee zijn. Want in sommige zogenaamd welvarende landen kunnen mensen niet eens de benzine voor hun auto betalen die nodig is om naar het ziekenhuis te reizen voor hun chemo-behandeling. Wij bellen een taxi en dat wordt vergoed door de (weliswaar steeds duurdere) verzekering. In veel andere landen is een zorgverzekering gewoonweg onbetaalbaar. En dan houdt alles op.

Natuurlijk zijn er in Nederland mensen die balanceren op de rand van de afgrond, door armoede en gebrek aan mogelijkheden om daar uit te stappen. Maar nog steeds is het sociale systeem zo dat er een vangnet is. De situatie kan escaleren, maar als zwerver op straat landen - daar komt nog wel wat bij kijken in ons land. De financiële basis lijkt wel steeds dunner te worden, maar vergelijk het eens met een land als Amerika en je komt tot de conclusie dat het hier nog niet zo slecht geregeld is. Wij denken na over een basisinkomen, waardoor armoede bestreden kan worden. Het is een luxe als een land het zich kan permitteren haar minder kansrijke burgers een basisinkomen te gunnen. Met de aantekening dat ook de meest kansrijke burgers datzelfde basisinkomen zullen krijgen, volgens het principe.

Middelbare scholieren klagen over hun leraren en school in het algemeen. Dat is geen nieuws, dat is al decennia lang zo. Maar is het geen luxe dat ze allemaal de kans hebben om naar school te gaan? De tijd van de kolenmijnen is voorbij, jongens van veertien hoeven nu niets anders te doen dan hun kont elke werkdag naar de schoolbanken te verslepen. Maar soms is zelfs dat te veel gevraagd en klagen ze steen en been over de martelgang naar school. Landen genoeg in de wereld waar jongens van die leeftijd het vuilste werk moeten doen voor een ampel (of geen) loon. Kiezen? Liever niet.

Het is Kerstvakantie. Zelfs de hele week na Oud en Nieuw hoeft de helft van Nederland niet naar school of werk. Zich verheugend op de vakanties die dit jaar nog gaan volgen: voorjaar, zomer, herfst. We beseffen niet genoeg hoe bijzonder dat is. Ga maar werken in het beloofde land, Amerika. Dan heb je geen verlofdagen, alleen dagen dat je zonder betaald te worden ‚vrij’ neemt.

Het hoeft wat mij betreft niet anders. Wat er anders moet is dat we wat meer bewust mogen zijn van het enorme voorrecht dat we hier hebben op vrijwel elk gebied. Wij kunnen ons druk maken over of we wel ‚gelukkig’ zijn. Wij kunnen ons druk maken over of we onszelf wel zijn, of we ons optimaal ontwikkelen en alles uit het leven halen wat er in zit. Wij kunnen het ons zelfs permitteren om in bed te blijven liggen, zwelgend in zelfmedelijden, als het even tegen zit. We zijn depressief temidden van ontelbare mogelijkheden en weelde. En misschien veroorzaakt de weelde nou juist het gros van de depressies die Nederland rijk is. Waren we maar wat minder verwend, dan konden we misschien tevreden zijn. 

Het gegeven dat er schoon water door onze kranen stroomt als we ze open draaien, zou ons moeten doen dansen van geluk.

Reacties

Ooit was studeren iets voor de besten van de klas, de studiehoofden die zich wilden verdiepen in onderwerpen voorbij de grens waar de anderen de interesse in het onderwerp al lang verloren waren. Ooit waren beroepsopleidingen bedoeld om mensen met een aanleg of interesse voor een vakgebied voldoende vaardigheden, analytisch vermogen en inzicht aan te leren om op een hoger niveau in een bedrijf of bij de overheid te kunnen functioneren. Studeren was een saaie bezigheid, waar je tot wel zeven jaren mee mocht vullen (of langer), waardoor je goddank ook genoeg ruimte had om je een paar keer per week te laten vollopen bij je plaatselijke dispuut. Soms waren de plannen van de schoolmeesters en –juffen dat Petertje toch écht moest gaan studeren, maar dan had Petertje hele andere plannen. En dan ging hij met zijn handen werken. Je denkt toch niet dat hij jarenlang met zijn neus in de boeken wilde zitten? Kom nou!

Waarom heb ik nu het gevoel dat HBO-scholen tegenwoordig volstromen met beginnende studenten die het als vanzelfsprekend beschouwen dat ze na het behalen van hun HAVO-diploma gaan studeren. Het is een beetje studeren-om-het-studeren geworden. Je moet in elk geval iets kiezen dan, zodat je kunt gaan studeren. Iets, gewoon iets. Niet uit interesse of omdat je zo gemotiveerd bent om meer te weten van dat vakgebied. Maar omdat je later nou eenmaal een betere baan krijgt als je dat HBO-diploma – of nog liever: die Master! - in je zak hebt.

Hou me ten goede: er zijn nog steeds studenten die absoluut wél geïnteresseerd en zeer gemotiveerd zijn. Dat mag ook gezegd worden (en zou misschien wel eens wat meer benadrukt mogen worden in de media). Deze studenten maken de gekozen HBO Bacheloropleiding binnen 4 jaar af, stromen door naar de wetenschappelijke opleidingen voor een 1 of 2-jarige Master en gaan dan de arbeidsmarkt op. Klinkt probleemloos en in sommige gevallen is het dat ook, echt. Zijn dít dan de mensen die voldoen aan het ideale profiel van een HBO-student? Ja, dit zijn de mensen waarvan we graag klassen vol in alle opleidingen zouden willen hebben. Maar de realiteit is dat het percentage studenten dat zónder enige vertraging HBO-WO doet, én meteen een bij de opleiding passende baan vindt, klein is in verhouding tot de massa’s studenten die als jonge honden in het propedeusejaar van de betreffende lichting van start zijn gegaan. Wat dus dientengevolge betekent dat de propedeusejaren vól zitten met beginnende studenten die blijkbaar bij voorbaat al níet aan het uitstroomprofiel voldoen.

Dan is de opleiding aan de beurt om het percentage geslaagde doorstromers uiteindelijk zo hoog mogelijk te laten eindigen. Dat verwacht de overheid van de instituten, daar worden ze op afgerekend. De studenten willen het met name ‘leuk’ hebben. Het moet wel ‘leuk’ zijn om hier te studeren. En er moet ook genoeg ‘leuks’ georganiseerd worden zo nu en dan, om het ‘leuk’ te houden. Daar werken ze liever niet zelf aan mee, dat mogen anderen doen. Het moet wel ‘leuk’ blijven. En is een vak niet ‘leuk’, dan worden er klachten ingediend. Of worden lessen simpelweg niet bijgewoond, omdat het niet ‘leuk’ is om in een les te zitten als je ook koffie kunt drinken op de loungebanken van de hippe catering.

Ik krijg jeuk van ‘leuk’. Het leven is niet ‘leuk’. Het leven is soms gewoon bikkelen op je tandvlees. Omdat het móet, niet omdat het ‘leuk’ is. Misschien zit ik er heel erg ver naast, en als dat zo is dan hoor ik het graag, maar is het niet allemaal een beetje te ‘leuk’ geworden? Open Dagen en introductieweken waarin alles uit de kast getrokken wordt om te laten zien dat het écht heel ‘leuk’ is allemaal. ‘Leuk’ studeren omdat het nou eenmaal kan, niet omdat je dat zo graag wilt, betekent dat je intrinsieke motivatie waarschijnlijk minimaal is. Of op zijn minst niet erg groot. En dan red je de minder ‘leuke’ vakken niet..  De eerste herkansingen zijn vooral ook ‘niet leuk’, dan.  En een Bindend Afwijzend Studieadvies is al helemaal niet leuk.

Terugkomend op waar ik ben begonnen met dit relaas: ‘leuk’, we kunnen allemaal gaan studeren in het HBO zodra we de HAVO afgesloten hebben met een diploma, zelfs al de resultaten niet ruim voldoende waren. Maar de vraag is: móet dat?

Reacties

Gisteren attendeerde een student me op een artikel van de NOS, over de aansluiting van de studies die gevolgd worden op de banen die te vinden zijn. Studeren we wel voor de baan van de toekomst? Vinden we wel werk in het beroepsveld van de gevolgde opleiding?

Tijdens Open Dagen verzorgen mijn collega-decanen en ik een voorlichting voor ouders. Daarin gaat het over de studiekeuze en wat het betekent om in het HBO te studeren. Mijn vraag aan de aanwezige ouders is dan: "Wie van u werkt vandaag nog in het beroep waarvoor u 20 à 30 jaar geleden bent opgeleid?" Persoonlijk vind ik dat het leukste moment van de presentatie, want ik zie mensen fronsen en blozen. Gemiddeld zijn er zo'n 80 ouders aanwezig bij mijn presentatie. Daarvan steken er na deze vraag 2 of 3 de hand in de lucht, en ik kan dan met gemak hun beroep raden: verpleger, arts, verzorgende, verloskundige. Mensen met een beroep dat bij hun roeping past. Bij de overige aanwezigen lijkt er dan een lampje te gaan branden. Inderdaad, we gaan na het afronden van de eerste studie het loopbaanpad op en nemen bochten en afslagen, waardoor we soms in beroepen en taken terecht komen die helemaal niets meer te maken hebben met onze eerste studie- of beroepskeuze. Maar zijn wel blij met wat we doen, omdat dit veel beter bij ons past: we hebben onszelf leren kennen - en hebben door de jaren heen steeds weer opleidingen, workshops en trainingen gevolgd om de nieuwe taken te kunnen uitoefenen.

Dus: hoe zwaar weegt dan die eerste studiekeuze? En hoe belangrijk is het dan dat de eerste baan die we vinden exact aansluit bij de gevolgde studie? Mijn ervaring is dat het werk- en denkniveau, naast athenticiteit, uiteindelijk de doorslag geeft - als het tenminste een baan betreft die geen specifieke (technische) kennis vraagt. De banen van de toekomst lijken dit wel te vragen - dus moeten er meer mensen geboren worden die aanleg en talent hebben voor techniek. Want dat heeft nou eenmaal niet iedereen.

Wat de toekomst betreft zal er rekening gehouden moeten worden met de opkomst van robotica en de toenemende inzet van humanoids. Een deel van ons menskrachten dreigt uiteindelijk een beetje overbodig te worden. ICT en techniek zijn vakgebieden waar het nog een tijdje goed zal gaan, maar helaas is dus niet iedereen gezegend met de aanleg om hier een bestaan mee op te kunnen bouwen. Niet leuk om te lezen misschien, maar binnen enkele tientallen jaren zal een deel van de mensheid een andere reden van bestaan moeten zien te vinden dan zijn of haar 'werk'. Om met die nieuwe omstandigheden om te kunnen gaan, zullen de nieuwe generaties steeds flexibeler en creatiever moeten worden. Tenslotte heeft de mens een zinvolle invulling van tijd nodig om zich enigszins gelukkig (of op zijn minst: tevreden) te kunnen voelen. Daarnaast zal er toch echt hard nagedacht moeten worden over de manier waarop inkomen gegenereerd en verdeeld wordt. Want als robots het 24/7 van ons kunnen overnemen zonder ziek te worden of zich te beklagen over arbeidsomstandigheden, waarom zouden werkgevers ons, dure mensen, dan onder contract houden?

Misschien zie ik het te zwart/wit of ben ik te negatief, maar laten we de druk van de studiekeuze nou eens afhalen door te beseffen dat de eerste studie niet meer dan een startpunt is en geen eindpunt. Dat om te beginnen. En als de intrinsieke motivatie bij de scholier ontbreekt om te gaan studeren, laat hem of haar dan de tijd nemen om te ontdekken wat de drijfveren voor het leven dan wél zijn. De gedachte dat het diploma zaligmakend is, is niet de hele waarheid. Ja, een diploma helpt op weg naar werk en inkomen. Maar wélk diploma? Uiteindelijk beslissen werkgevers bij de aanname voor een groot deel ook op basis van de uitstraling en (zoals gezegd) authenticiteit van de sollicitant. Wie jij bent, en of je goed in je 'pak' zit, dat kan het verschil maken in een wereld waar iedereen met minimaal 1 masterdiploma op zak naar dezelfde baantjes vist. Of jouw eerste baan dan exact past binnen de kaders van dat behaalde diploma? Who cares. De realiteit is dat je werk hebt, en je eigen inkomen verdient, en gestart bent met een loopbaanpad waarvan je nog niet alle kronkels kent. En je gaat jezelf en jouw talenten dan pas echt leren kennen. En dat is dan voorlopig dat - totdat de volgende bocht of afslag zich aandient.

Reacties

Kiezen voor een opleiding is kiezen voor een beroep. Een keuze die al vroeg in de schoolcarrière gestuurd wordt: door middel van Cito-scores wordt zo rond het elfde of twaalfde (!) levensjaar bepaald welke voortzetting het onderwijs zal krijgen. Ouders hopen op een qua niveau zo hoog mogelijk vervolg, want hun kroost dient maatschappelijk succesvol te worden. Hierover kunnen we nog eens een boompje opzetten, want wat is dat: ‘maatschappelijk succes’?

Los daarvan: na het basisonderwijs wordt de opleiding vervolgd op een niveau dat aansluit op de Cito-scores. Niet lang daarna wordt de beroepskeuze-vraag gesteld. ‘Wat wil jij worden? Weet je dat nog niet?’ De scholier is een jaar of 14 als dit antwoord opgehoest moet kunnen worden. Je weet het niet? Dan volgen testen en gesprekken en onderzoeken. Want er móet iets gekozen worden als vervolg op het inmiddels voortgezette onderwijs. Uiterlijk op 18-jarige, maar vaak ook al op 16-jarige leeftijd, moet bekend zijn in welke richting deze adolescent zich wil gaan ontwikkelen. Een beroep ‘naar keuze’. Lukt het om met succes de eindstreep van het voortgezet onderwijs te behalen, dan kan begonnen worden met het kiezen van een Middelbare, maar liever nog een Hogere Beroepsopleiding.

Nu is de trend binnen de beroepsopleidingen geworden de volgende eis te stellen aan de vers binnengekomen studenten: een ‘professionele houding’. Een houding waarvan wordt aangenomen dat het bedrijfsleven deze wenst te zien van haar werknemers.

 

Valt u iets op in dit verhaal? Nee? Dan zal ik een parallel proberen te leggen met iets dat er op lijkt.

Als jong meisje, opgroeiend in een Limburgs gezin met een vader die zeer actief spelend lid was van fanfares en harmonie-orkesten, ging ik een Algemeen Muzikaal Vormende opleiding (kortweg: AMV)volgen. Dat kon al op 9-jarige leeftijd, en bestond uit twee jaar leren noten lezen en blokfluit spelen. Aan het einde van die twee jaren werd de inzet beloond met een diploma en werd mij een instrument overhandigd: een trompet. Niets had mij treuriger kunnen stemmen, want mijn zus speelde al trompet. En ik wilde graag saxofoon spelen, maar daar had de fanfare op dat moment geen oren naar. Ik wist niets af van het bespelen van een trompet, noch van een saxofoon of een xylofoon wat dat betreft. Ik had nog nooit een instrument aangeraakt (behalve de blokfluit), en er werd aan mij geen keuze gelaten. Er werd van mij verwacht dat ik een jaar of drie hard ging oefenen om dan in het orkest te mogen gaan meespelen op de trompet.  Later heeft mijn vader er voor gezorgd dat ik alsnog een saxofoon in handen kreeg, aangezien het tranendal van frustratie waarin ik terecht gekomen was, te diep was geworden. Daarnaast dreigde ik mijn motivatie om überhaupt nog een instrument te leren bespelen, te verliezen. Maar dit terzijde.

Mijn zoon heeft, de traditie voortzettend, óók AMV les gehad. Maar: deze opleiding duurde slechts 1 jaar, bestond uit zowel blokfluit- als keyboardles, en hij mocht elke twee maanden instrumenten beluisteren en bespelen. Hij mocht praten met ervaren spelers en beginnende spelers over hoe wel of niet moeilijk het bespelen van dit instrument was, enzovoort. Zo kreeg hij een duidelijk beeld van wat hij wel en niet interessante instrumenten vond. Zijn keuze mocht hij aangeven, een drietal, en daaruit werd in overleg met de vereniging bepaald op welk instrument hij zich verder zou gaan bekwamen. Nooit een traan gezien, nooit spijt gehad, nooit opnieuw hoeven te beginnen. Hij speelt nog steeds, en fanatiek ook.

Wat is nou de parallel die ik bedoel? Wel, dat is de volgende: als we van (zeer) jong volwassenen verwachten dat ze een beroepshouding laten zien, waarom geven we ze dan niet eerst de kans kennis te maken met dat beroep, in de praktijk? Zodat ze een beeld hebben bij wat er dan bedoeld wordt met die ‘houding’? En niet alleen dat: kennis maken met wat dat woord ‘manager’ in de praktijk aan werk met zich meebrengt. Bijvoorbeeld. Naar mijn mening heeft een scholier die net het diploma HAVO op zak heeft, nog niet echt een concreet beeld van de praktijk in het bedrijfsleven: tot dat moment heeft hij/zij hopelijk wel een bijbaantje gehad, maar of daarmee al voldoende duidelijk is wat er nou precies van ze verwacht wordt in het HBO? Dat betwijfel ik. Ten zeerste. Vaak weten ze niet eens wat het werk van hun ouders precies inhoudt.

Studiekeuzetwijfels, studieswitch, studiestress.. Te vroeg wordt er een zelfkennis verlangd die er gewoonweg nog niet is. Zelfs neurologisch valt dat te verklaren: het brein is op die leeftijd nog niet zo ver ontwikkeld dat het dit zou kunnen. Maar de oplossingen moeten de jonge studenten zelf maar bedenken, want de trein rijdt gewoon verder en niemand wacht tot je een ervaring hebt opgedaan die helpend kan zijn. En dan ligt er tegenwoordig nog een sausje van het sociaal leenstelsel overheen.

Ik hoop dat we kunnen nadenken over een nieuwe inrichting van het systeem, het keuzemoment kan verlegd worden. Door invoering van een schakeljaar, een oriëntatiejaar, een reeks snuffelstages of andere manieren die de scholier (dus de aanstaande student) de kans kunnen geven aan beeldvorming te doe. En te komen tot keuzes die niet alleen meer succesvol zullen zijn, maar hopelijk ook bij kunnen dragen aan het persoonlijke levensgeluk in de nabije toekomst.

Reacties

Slachtoffer als ik ben van de commerciële tijd waarin wij leven, constateerde ik dat het abonnement van mijn mobiele telefoon alweer aan verlenging toe was. En dat betekent tegenwoordig bijna vanzelfsprekend dat je een nieuw telefoontoestel mag uitkiezen. Mag, want het is volgens de mensen die de telefoons leveren een voorrecht. Bovenaan de pagina met mijn telefoongegevens stond het: ‘U MAG VERLENGEN!’ Oh, nou, wat een feest! Volgens mij hoort daar MOET te staan, maar dat ter zijde.

Opgetogen surfte ik op de internetzee naar de pagina’s waar de nieuwe toestellen mij aanglansden. De een nog mooier dan de ander, en met veelbelovende namen. Galaxy, Xperia, Lumia, Optimus, Nexus en, nog mooier en nieuwer: The Life Companion! Ja, dat is hem! Daar heb je wat aan, een vriend voor het leven! Iemand die je begeleidt door de wilde, verwarrende tijd die je hier op aarde hebt. Een steun en toeverlaat in bizarre tijden. Een Life Companion. Dát leek me wel wat. Ik zag het al voor me. Wunschlos glücklich met mijn Life Companion in de hand probleemloos door het leven zweven. Wetend dat hij er altijd voor mij zal zijn. Wat een warm gevoel!

Opeens kwam er een melding in beeld, een zogenaamde pop-up. Dat vind ik grappig omdat dit nou eens een woord is dat direct duidelijk maakt wat het doet: het popt inderdaad up. In die pop-up stond dat ik gebruik kon maken van een chat-functie, zodat ik hulp van een medewerker kon krijgen. Chatten, met een echte persoon! Ja, natuurlijk.. als ik al op zoek was naar een Life Companion wilde ik zeer zeker ook graag met iemand kunnen chatten. Dus klikte ik op de pop-up. Er verscheen per direct een mededeling. Maikel ging mij helpen, hij zou zo een persoonlijk bericht typen. En al gauw kon ik zien dat hij aan het typen was. Maikel is aan het typen… Spannend! Wat zou hij typen? Hallo, mijn naam is Maikel. Heeft u misschien behoefte aan contact? Uhm ja.. Maikel. Eigenlijk wel. Ik had al binnenpret voordat Maikel zijn eerste zin getypt had.

Uiteraard was Maikel een goed getrainde professional die gerichte vragen stelde. Vragen die ik met ja en nee kon beantwoorden. En of ik zelf nog vragen had. Ik beschreef de twee toestellen waartussen ik twijfelde en vroeg wat nou het verschil was tussen beide. Maikel schreef terug. De Life Companion kon voelen. Schreef hij. Ik zakte bijna van mijn stoel. Een mobiele telefoon die kon voelen?! ‘Ja,’ schreef Maikel, ‘echt waar. Deze telefoon herkent uw lichaamswarmte.’   Dat is prima voer voor mijn fantasie. En zeker nu de hittegolf zijn hoogtepunt bereikt en ik het al warm heb als ik adem haal. In mijn gedachten kon deze telefoon nu echt iets anders dan de anderen: ik zag een ventilator eruit pop-uppen, een opblaasbaar-zwembad-pop-up, een frisse-verwencocktail-pop-up. En dat vroeg ik dan ook aan Maikel, of dat was wat de telefoon deed als reactie op mijn warmte. Maar helaas was het antwoord veel minder ludiek. Wat het dan wél was ben ik eigenlijk zelfs alweer vergeten.

Wat er wel gebeurde was dat Maikel en ik een heel prettig en lollig gesprek hadden. Gewoon, omdat lachen nou eenmaal gezond is en het leven al veel te vaak veel te serieus genomen wordt. Maikel wist niet wat hij meemaakte en vertelde me dat hij nog niet vaak zo gelachen had tijdens een chat. Dat vond ik dan toch wel weer erg triest. Zijn baan bestaat met name uit het te woord staan van grommende,  mopperende mensen die niet tevreden te stellen zijn. Dit zijn niet Maikels woorden hoor, mensen. Maikel is een heuse professional, die niet uit de school klapt. Maar een goede verstaander heeft slechts een half woord nodig om de inhoud te begrijpen. Treurig vond ik het.

Maikel bedankte me voor het prettige einde van zijn dienst. Alles wat ik geschreven had, had zijn dag goed gemaakt. Ik heb Maikel gezegd dat hij daar maar één ding voor terug hoefde te doen. En dat was zelf ook iemand eens aan het lachen brengen. Bij het tankstation, aan de kassa, overal zitten er mensen hun werk te doen en alle mensen hebben behoefte aan een vriendelijk woord of een lach. Geef het door, Maikel, zei ik. Dat is alles wat je hoeft te doen.

Oh ja, en hij heeft daarnaast ook nog een prima toestel met een voordelig abonnement voor mij geregeld. Over twee jaar ‘mag’ ik weer. En ik hoop dat Maikel dan nog aan de chatfunctie zit. Zijn chatgesprekken worden namelijk door zijn meerderen nagelezen, vertelde hij. Ik hoop dat zij daar, net als Maikel, een leuke dag aan over gehouden hebben. En Maikel? Nadat hij mij verteld had dat de gesprekken nagelezen worden, heb ik mij al typend persoonlijk tot zijn baas gericht, en Maikel de hemel ingeprezen. Omdat ik toch bezig was, heb ik maar meteen om een salarisverhoging voor die knul gevraagd.  Gewoon, omdat het kan. 

Reacties

Carrièrebeest als ik ben, ga ik opnieuw op zoek naar een baan. Tegenwoordig noemen we dat ‘een nieuwe uitdaging’, althans die kreet zie ik bij bijna alle andere kandidaten langskomen. Men prijst zichzelf aan als gemotiveerd, enthousiast, op zoek naar een uitdaging. En dat zal beslist zo zijn. Ik ben ook gemotiveerd, enthousiast, en op zoek naar een uitdaging. Alweer. Want een contract voor langere duur, dat zit er tegenwoordig toch echt niet meer in. Drie maanden, een half jaar, een jaar – langer duurt de arbeidsrelatie tegenwoordig vaak niet meer, althans niet voor nieuwe werknemers.

Waar dat aan ligt mag duidelijk zijn: het is voor werkgevers niet aantrekkelijk om mensen voor langere tijd in dienst te nemen. Om diverse redenen, waarvan de meeste toch belastingtechnisch getint zijn. Een publiek geheim, dat met instemming ontvangen wordt als het op feestjes en partijen aan de kaak gesteld wordt. Iedereen weet dat de kosten van het hebben van een personeelsbestand exorbitant geworden zijn. Dus werken steeds meer mensen als freelancer of zzp-er of iets anders – maar niet als medewerker-in-dienst.

Hierdoor worden ook de arbeidsjubilea schaars. Wie op vandaag nog een 40-jarig jubileum bij de baas kan vieren, mag zich vrijwel zeker één der laatsten der Mohikanen noemen. Een 40-jarig jubileum betekent dat de arbeidsrelatie is aangegaan in 1973, mensen. 1973, toen nog niet iedereen twee auto’s, een groot huis en drie vakanties per jaar had. Toen moeders nog thuis waren als de kinderen uit school kwamen, en buren elkaars voornamen nog kenden. Toen vaders als ze op zondag goed gezind waren, het gezin meenamen naar de speeltuin om te schommelen tot ze misselijk van de limonade en de koekjes waren. Oei. Ik realiseer me net dat ik in 1973 nog een vrolijke peuter was. Dat is ook pijnlijk.

Sinds 1973 heeft alles een grote vlucht genomen. Meisjes werden gestudeerde vrouwen, moeders met banen. En dat is prima, al is naar mijn idee de balans in de thuissituatie onder druk komen te staan. Kinderen hebben heel ouderwets dingen nodig die met een R beginnen (Rust, Reinheit, Regelmaat), maar dat is een ander onderwerp. En vaders worden door de baas vaak genoeg nog geacht fulltime aanwezig te zijn. Terwijl ze graag meer betrokken zouden zijn bij de opvoeding van hun kroost. Daar kom ik graag in een andere column uitgebreid op terug. Deze keer gaat het even over mij en mijn queeste naar werk.

Ik ga dus opnieuw op zoek naar een nieuwe baan, een veelgevraagde uitdaging. Ik zet mijzelf in de etalage van diverse ‘winkels’, met namen als LinkedIn, naast alle andere lotgenoten die hetzelfde zoeken als ik. Ik poets mijn imago op middels een herschreven CV en probeer overtuigend uit te stralen dat ik gemotiveerd ben en een zaligmakende uitdaging zoek. En ik hoop dat de werkgever die de winkelstraat van sollicitanten afstruint, zich realiseert dat ik hem of haar in staat stel nog eens iets unieks te realiseren. Ik kan namelijk met het grootste gemak nog een 25-jaar-bij-de-baas- jubileum halen! Zal mij benieuwen wie die uitdaging nog eens echt aan wil gaan…

 

Reacties

De apenmaatschappij is door de heldere hiërarchie relatief rustig. Iedereen weet waar hij of zij als aap aan toe is. Normaalgesproken kabbelen de dagen lekker door. Er wordt gezocht naar bladeren en fruit, de jonge aapjes krijgen les in het leven als aap, mannetjes en vrouwtjes hebben elkaar nodig maar ieder doet zijn ding. Alles verandert echter, als er een dreiging van buitenaf komt. Dat kan van alles zijn, laat ik het deze keer erop houden dat het mooie oerwoud waarin ze wonen door brute, brullende, grote machines gesloopt wordt. De waarde van het regenwoudhout is vele malen belangrijker dan de woning van de apen.

Stelt u zich eens voor wat dat met uzelf zou doen. U leeft, met of zonder vrouw of kinderen, een redelijk rustig bestaan. U gaat buitenshuis werken, elke zaterdag boodschappen doen, u onderhoudt uw voortuintje, u geeft misschien zelfs feestjes in uw achtertuin om het leven te vieren. Want het leven is best mooi, als alles een beetje vanzelf loopt. Al gaat het natuurlijk nooit helemaal vanzelf, dat zou te saai zijn. Maar dan, op een dag, wordt u zonder verdere aankondiging uw bed (of noem het ‘nest’) uitgedenderd door het brullende lawaai van sloopmachines. Die zonder vraag of twijfel meteen beginnen. Een dikke sloopkogel ramt de voorgevel van uw woning, die meteen half instort. Want ook uw huis had hier even geen rekening mee gehouden.

Iemand in de wereld, die ook de uwe is, had blijkbaar een besluit genomen. Uw woning stond in de weg, en de grond waarop het huis staat is vele malen meer waard dan de woning zelf. Dus wordt er gesloopt. Wat dat verder voor u, uw partner, kinderen en de buren, betekent, daar heeft zo iemand geen boodschap aan. Slopen die handel, het volk verdrijven, opnieuw bouwen en verkopen. De portemonnee van de opdrachtgever lijkt al gevuld. Niemand die zich afvraagt hoe de portemonnee van de haveloze achterblijvers zich nog gaat vullen. Geen dak boven het hoofd. Stel het u even voor. Dat is pijnlijk.

Zo ook voor onze apen. Apen leveren echter in zo’n geval luidruchtig protest! Ze schreeuwen het uit, rennen door elkaar en tonen hun paniek met lijf en leden. Ze grijpen hun kleine apenkindjes bij de kladden, die zich ook direct intuïtief vastklampen aan het moederapenlijf.  Mensen hebben dit soort gedrag afgeleerd. Ik weet niet of ik daar zo blij mee ben. Want door de paniek niet te uiten, raken we gefrustreerd. En dat is vele malen erger. Vele psychologen hebben er baat bij, want vroeg of laat komt de frustratie boven en neemt het functioneren over. Dan worden mensen depressief, willen het leven dan maar verlaten omdat ze het allemaal niet meer aankunnen. Erover  praten, lang nadat de situatie zich heeft voorgedaan, lijkt dan de enige oplossing te zijn. Te laat, zeg ik. Veel te laat.

Naar mijn mening zouden we gewoon af en toe, als er in ons leven iets ingrijpends verandert, een rondje moeten rennen. Hard schreeuwend, huilend, en zwaaiend met alle ledematen. Het ongeremd loslaten van de intens pijnlijke gevoelens. Het uiten van de angst, de reddeloosheid. Daarmee ook meteen een duidelijk signaal afgevend naar de mensen en de maatschappij om ons heen. Die dan duidelijk kunnen zien dat hulp dringend noodzakelijk is. Hulp hoeft geen psycholoog te zijn. Een arm om iemand heen kan als een dikke pleister zijn op de mentale wonden.

In de apenmaatschappij wordt intuïtief direct uiting gegeven aan de panische gevoelens. Een kakofonie aan geluid overstemt de brullende motoren van de zaagmachines. Daarna bedaren de apen weer. Zoeken elkaar op, nasnikkend van de inspanning, en gaan elkaar geruststellend zitten vlooien. Ze lijken samen na te denken over oplossingen. Hoe gaan we dit aanpakken? Weet iemand nog een ander bos, met hoge bomen, waar we naartoe kunnen? Rustig maar. Alles komt goed. Als ze dan vermoeid tegen elkaar aankruipen en in slaap vallen, lijkt het inmiddels al niet zo erg meer. Morgen is er weer een dag, en er gloort alweer hoop aan de horizon. Soms is verandering, hoe pijnlijk ook, nou eenmaal nodig om tot een hoger plan te komen. Of een betere, hogere en hopelijk veiligere boom te kunnen vinden. De apenmaatschappij wordt opnieuw ingericht, en na een tijdje kunnen ze concluderen dat de verandering een verbetering teweeg gebracht heeft die niet tot stand zou zijn gekomen als alles eeuwig bij hetzelfde was gebleven. Laten we daar dan maar eens een voorbeeld aan nemen.

Reacties

Weer even terug naar de apen. U bent ze al tegengekomen in mijn columns̽, en hoe meer ik erover nadenk hoe meer ik er over kan vertellen. Apen trouwen dus niet, en ze zouden koffie moeten drinken. Maar dat doen ze niet. De apenmaatschappij is nou eenmaal zoals zij is. De evolutie van de apen is in zekere zin stil blijven staan waar die van de mens is doorgegaan – of doorgeslagen, daar ben ik nog niet uit.

Apinnen, bijvoorbeeld, hebben al eeuwen dezelfde taak. Ze verzamelen vruchten en bladeren, bouwen nesten en baren jonge aapjes. Ze zijn in zekere zin gedienstig aan de apenmannen. Meerdere, dat hadden we al geconstateerd. Niet trouw, wel vruchtbaar. Dat is zo’n beetje de regel in apenland. De vrouwelijke mens was van huis uit ook bedoeld zo te zijn, denk ik. Een beetje op het huis passen (nest bouwen), boodschappen doen (vruchten verzamelen), jonge mensjes baren (bevallen – maar of dat bevalt?). Maar dan hadden bepaalde mensenmannen wel bedacht dat de mensenvrouw altijd en alleen trouw zou zijn aan die ene uitverkoren mensenman.

Om trouw te kunnen blijven zou de mensenvrouw niet teveel de deur uit moeten gaan. Ter voorkoming van, laat ik zeggen, afleidingsmanoeuvres van andere mannen. Of ter voorkoming van het aanwakkeren van de vlam die nagenoeg gedoofd zou kunnen zijn na (bijvoorbeeld) 20 jaar trouw aan de Uitverkorene. Maar: de mensenmaatschappij is verder geëvolueerd dan die van de apen, en het meest belangrijke verschil is dat de mensenvrouw niet langer kan volstaan met het zoeken naar vruchtjes. De mensenvrouw dient in de moderne mensenmaatschappij ook te gaan voor de grote jachttrofeeën. Er moet vlees op tafel komen, grote lompe stukken weldadig vlees. Dus moet ook de mensenvrouw gaan jagen.

De mensenvrouw is door de emancipatie geïntroduceerd in de hogere opleidingen en daarop voortbordurend in wat vroeger nog het unieke jachtterrein voor mensenmannen was. De reeds aanwezige mannen zagen het enerzijds met vreugde gebeuren. Er was niks op tegen om wat fleurig vrouwelijk schoon binnen de kantoormuren te zien stralen. Gezellig, iemand die af en toe vraagt of je ook een kopje koffie lust en dat met een charmant vrouwelijk gebaar op je bureau neervleit. Anderzijds bleek dat de mensenvrouwen de plekjes van de mensenmannen daar boven op die apenrots als trofee beschouwden en onverbiddelijk begonnen aan de jacht naar de top. Het imperium van de mensenman wankelde. En hoe.

En dat was voor de mensenmannen toch wel een beetje moeilijk. Want hun ‘eigen’ mensenvrouwen waren eveneens enthousiast geworden over de trofeeënjacht en hadden de eerste plekjes op weg naar de top van de apenrots al gezet voordat de mensenman drie keer met de ogen had kunnen knipperen. En het eerstvolgende dat zij voorstelde was dat hij dan een dag minder op de rots zou blijven zitten en in plaats daarvan voor het nest en de jongen zou zorgen, zodat zij ongestoord haar jacht kon voortzetten op diezelfde rots. Oei. Dat was minder. (Niet voor alle mensenmannen, hoor, ik ken voorbeelden van mensenmannen die bijna opgelucht waren dat ze een paar dagen van die rots afmochten. Dat komt een volgende keer aan bod. Beloofd.)

Nu vraag ik me af waarom de apenmaatschappij niet verder geëvolueerd is. Waarom hebben apen geen auto’s, huizen en hypotheken? Ja, wij stammen naar mijn mening wel af van de apen. Maar er is een deel van de apenpopulatie gewoon ‘aap’ gebleven. Waarom? Misschien wel om ons te laten zien hoe het ook had kunnen zijn, als we niet zo nodig verder hadden willen evolueren.

Zorgeloos zwieren de apenmannen van liaan naar liaan. Ze plukken terloops een banaan uit de boom en gaan er eens goed voor zitten. Heerlijk, genieten, zo’n banaan. Er eens echt de tijd voor nemen. In de verte horen ze de geluiden van spelende jonge aapjes, af en toe een korte kreet van de apenvrouwen die de jonge aapjes gebieden binnen het afgebakende territorium te blijven. De apenvrouwen kijken uit over het dal, de jonge aapjes spelen vlakbij tikkertje. De vrouwen hebben de besjes al geplukt, en de bananenbladeren gevuld met de mango’s. Ze kijken uit over hun wereld, de apenmannen en de apenvrouwen, en hebben maar één gedachte: het is goed, vandaag en altijd. Simpel, eigenlijk.  

 

 ̽Eerdere columns over apen: ‘Waarom apen nooit trouwen’, ‘Apen zouden koffie moeten drinken’.

Reacties

 Wetenschap en ontwikkeling, het is op zich natuurlijk een groot goed. De mensheid is erin geslaagd uitvindingen te doen die het leven aanzienlijk aangenamer hebben gemaakt. Het is prettig dat we met minder inspanning en in kortere tijd, meer werk kunnen verzetten. Computers en machines maken het mogelijk, we hoeven alleen de machines nog te kunnen begrijpen en de rest gaat vrijwel vanzelf. Het fysieke aspect van arbeid is duidelijk naar de achtergrond geschoven. En dat lijkt een verbetering te zijn, nietwaar? Onze voorouders ploeterden op de akkers, slachtten zelf hun koeien en kookten de was van het grote gezin in een enorme ketel. Dat willen wij met zijn allen niet meer. Die tijd hebben wij gehad.

Maar de laatste jaren begint zich iets anders voor te doen. Het lijkt alsof de ontwikkeling van machines en computers zich tegen ons begint te keren. De automatisering die als een zegen werd beschouwd, begint te veranderen in een vloek. De fabrieken waar de lopende banden in de eerste jaren bemand werden door mensenhanden, worden nu uitgerust met robots. De mensen die eerst aan de lopende band stonden zijn daardoor werkloos geworden. Een enkeling krijgt de kans te leren hoe de robot bediend moet worden, maar de honderden anderen kunnen geen kant op en zitten zich thuis op de bank af te vragen hoe ze in vredesnaam nog aan een fatsoenlijk inkomen zullen kunnen komen om hun gezin te onderhouden. Slechts één voorbeeld van wat de invloed van wetenschap en ontwikkeling kan zijn op de mensheid. En dan hebben we het nog niet over globalisering, waardoor werkgelegenheid zich wereldwijd verplaatst.

Dan denk ik dat één ontdekking magistraal geweest moet zijn. En dat is de anticonceptie. Iemand moet een ver vooruitziende blik gehad hebben. Door de anticonceptie zijn wij al vrij snel en drastisch met zijn allen de geboortes gaan beperken (we vreeën meer, maar baarden minder). Minder nieuwe mensen op de wereld, dus. Althans, de Westerse wereld. In Afrika wil dat nog niet zo erg lukken, om diverse redenen, maar daar hebben we het nog wel eens over. Er zijn minder monden die gevoed moeten worden, en uiteindelijk ook minder werknemers die aan een baan geholpen moeten worden. Dus op de één of andere manier klopt dat dan ook wel weer. Die ontwikkeling is niet goed voor bijvoorbeeld het onderwijs (want de terugloop in leerlingenaantallen zorgt ook weer voor werkloosheid onder leraren) en de vergrijzing is op zich ook al geen goede ontwikkeling. Maar ergens klopt het eigenlijk ook weer wel. Of de cijfers deze gedachte kunnen staven, weet ik niet. Daarom is het ook maar een gedachte. Filosofie, zo u wilt.

Onze generatie leeft in die wereld, waar de problematische kant van de automatisering zich begint af te tekenen. Maar het is niet allemaal kommer en kwel, natuurlijk. We hebben door al die uitvindingen behoorlijk veel vrije tijd! En veel ruimte om te bewegen, aangezien we bepaalde spelregels die ooit bedacht waren door wereldverbeteraars ook naast ons neer durven te leggen. Wat er door de eeuwen heen altijd was en altijd zal zijn, is buiten het bereik van wetenschap en ontwikkeling. De zon, de lucht, het water en de ziel van de mensen om ons heen. En die is gewoonweg niet in computertaal te vangen. We overleven het dan ook wel!

Reacties

Vacature na vacature vult mijn beeldscherm. Ik lees, kijk, overweeg en meer nog dan dat bekijk ik als het ware ook steeds opnieuw mijzelf. Pas ik in dat plaatje? Werkgevers vragen nogal wat van kandidaten, en ook al denk ik zelf dat ik aan het grootste deel van de criteria zondermeer voldoe: de werkgevers denken er schijnbaar anders over. Want na het indienen van mijn CV en een beredeneerde motivatie volgt enkele weken later een koel bericht van afwijzing. Waar gaat het mis? Ik schets een beeld vanuit mijn ervaringen.

Allereerst: in de economie van vandaag vullen de rekken met gegevens van werkloze werkzoekenden zich in rap tempo. De nood is in veel sectoren aan de man, en dus kunnen werkgevers die een aantrekkelijke vacature te melden hebben, zich verheugen: ettelijke honderden reacties vliegen binnen  na de melding dat er een vacature bestaat binnen het bedrijf. Zwetend en zuchtend werken de Chefs Personeelszaken zich door de stapels brieven heen en maken grofweg een soepele selectie, waardoor de eerste honderd kandidaten al in een vroeg stadium uit de race gezet worden. Zonder veel oog voor detail, want dat zou een onmogelijke opgave zijn gezien de tijdsdruk waaronder ook zij hun taak moeten verrichten. Dus is het devies: creëer een CV dat opvalt! Oké. Dat heb ik gedaan: een Engelstalig en een Nederlandstalig, en een driedimensionaal bewegend CV gemaakt waardoor werkgevers mijn persoon beter kunnen leren kennen. Vinkje dus.

Ten tweede: in de economie van vandaag telt je ervaring best zwaar – of juist niet. Bedrijven kunnen het zich niet permitteren iemand in dienst te nemen die onervaren is, want dat zou betekenen dat zij in die persoon zouden moeten investeren in de vorm van opleidingen. En daar wordt juist nu, juist NU, op bezuinigd. Maar als de functie niet te zwaar is, of de kandidaat voldoende opleiding heeft gehad, dan telt de laagte van het salaris waarvoor men wil werken. Oké. Ervaring heb ik genoeg, op allerlei vlakken. Levenservaring nog veel meer. Ik laat me niet uit het veld slaan, sta mijn mannetje (zelfs als vrouw) en leer vrij snel – ook zonder duurbetaalde cursussen. Mijn opleidingsachtergrond is universitair, breed genoeg om op allerlei gebieden goed mee te kunnen functioneren. En ik ben (nog steeds) leergierig! Vinkje wat mij betreft.

Ten derde: personeel moet flexibel zijn, en kneedbaar. Oudere werkzoekenden zijn dat niet, zegt ‘men’. Met name vrouwen van middelbare leeftijd met kinderen zijn dat niet, zegt ‘men’. Althans, dat lijkt de heersende opinie te zijn. Oké. Maar ik heb een prachtig stel kinderen die mij steeds minder nodig hebben, een opvangnetwerk dat naadloos is (dat bewijzen we al jaren!), en ik heb mij in mijn leven al zo vaak moeten aanpassen aan nieuwe situaties dat ik denk dat er niemand is die zo flexibel kan omgaan met situaties, dan ik. Kneedbaar? Natuurlijk ben ik kneedbaar! Ik wil zo graag weer aan de slag in een ‘volwassen’ functie, ik zou wel gek zijn als ik me dan niet kneedbaar zou opstellen als ik de kans kreeg! Nog een vinkje, is mijn mening.

Drie vinkjes op een rij… Ik begrijp alle tegenwerpingen die Chefs Personeelszaken kunnen en zullen hebben, en geneigd zijn een kandidaat met mijn kenmerken al in de eerste ronde buiten de race te zetten. Maar ik moet erop vertrouwen dat er ergens een Chef Personeelszaken is die mijn kenmerken ziet zoals ik ze zie: de meerwaarde van een kandidaat met een bijzonder goed stel hersenen, een motivatie die onbegrensd is, doelgericht kan werken en zich met een gezonde mate van humor ook door de grootste tegenslagen heen werkt. Ik ben wat je noemt een Carrièrebeest. Als ik de kans krijg, zal ik dat bewijzen! 

Reacties

Anno 2013 zie ik een kort filmpje op het videokanaal dat Youtube heet. Ik zie een paar jongens van Marokkaanse afkomst tegen hun scooter en fiets geleund staan praten. Ze spreken een soort Nederlands dat vermengd is met onder andere Marokkaans. Wat ik er van begrijp is dat zij zich beklagen over de aanwezigheid van Poolse werknemers in ons land. Poolse werknemers die niet veel loon vragen, en al het werk ‘afnemen’ van de andere mensen in Nederland die ook geld moeten verdienen. Een schande, dat is het.

Op de middelbare beroepsopleiding waar ik een tijdje les heb gegeven, had ik te maken met een klas die de richting Ondernemer volgde. Naar mijn mening is het bijna onmogelijk om dat te kunnen leren – ondernemersbloed heb je of je hebt het niet. Ik vroeg de aanwezige, voornamelijk mannelijke, klas op een dag het volgende: wie van jullie heeft er naast de opleiding al een bijbaan of misschien zelfs een eigen bedrijfje? Een vraag die me toch gerechtvaardigd leek, aangezien ik te maken had met 19 tot 20-jarige jonge mannen die tenslotte Ondernemer wilden worden. Van de 24 leerlingen staken er twee hun hand op. De één was aspergesteker in het weekend, de ander werkte in een kas als bijverdienste. De twee werden smakelijk uitgelachen door de overige 22 mannen. Mijn bange vermoeden werd bevestigd. De reacties waren toch vooral: mijn vader heeft een bedrijf en dat ga ik overnemen, dus ik hoef eigenlijk niet eens dat diploma te halen. (Buiten, voor de deur van de school, stond een glimmende blauwe BMW cabrio – van een leerling, gekregen van vader) Dat ze niet in staat zouden zijn het werk van hun secretaresse te beoordelen, leek hen ook geen noemenswaardig probleem. Die secretaresse moest gewoon een goede opleiding hebben gehad en dat zou dan wel goed zitten. Dat er jongens in de klas zaten die werkelijk hun handen vuil maakten in de aarde, dat was hoe dan ook ronduit belachelijk.

Op de basisschool vraag ik leerlingen ook naar hun toekomstbeeld. Wat wil jij worden, hoe denk je dat het eruit zal zien, wat wordt je beroep? Dan hoor ik toch vooral ‘iets met computers’, ‘iets op een kantoor’, en ‘iets met een stoere auto van de zaak’. Niemand die er zelfs maar aan denkt timmerman, metselaar of schilder te worden. Kom op zeg, we gaan onze handen niet vuil maken….

Dus. Hoe moet dat dan, over twintig jaar? Wie bouwt er dan de huizen die door goed opgeleide architecten en ontwerpers vanachter hun bureau bedacht zijn? Wie gaan er dan voor zorgen dat er riolering aangelegd wordt?

Waarschijnlijk niet de Marokkaanse jongens, en waarschijnlijk ook niet de ondernemerszonen. Alle kinderen studeren door, volgen opleidingen tot iets dat niets met vuile handen te maken heeft. Maar dan mogen we ook niet zeuren als er Oostblokkers met werkhanden zonder zeuren en hard werkend hun intrede doen. Dat ze onze taal niet spreken en graag aan Bacchus offeren, dat is een andere zaak. Maar onze stoere jongens zijn toch echt geen haar beter.

 

Deze column werd eerder gepubliceerd op www.columnschrijven.nl

Reacties (1)
Liefde uit Japan
Liefde uit Japan

Laat mij dan een prediker zijn. Een prediker van liefde. Laat mij u vertellen over dat leven liefde is.

Ik zag een documentaire over de Japanse onderwijzer Kanamori. Hij geeft les aan groep 6. Rekenen, Taal, karakters schrijven. Het bekende werk. Maar veel belangrijker dan dat is wat hij bovenaan zijn lesprogramma heeft staan: een band laten ontstaan tussen alle leerlingen van zijn klas. Vijfendertig in totaal. En hen laten zien wat liefde is. Liefde voor zichzelf, voor anderen en voor het leven.

De Japanse kinderen lijken in alles op onze kinderen. Hun gedrag in de klas, hun onstuimigheid, hun egoïsme, hun spontaniteit, hun bravoure. Hun meester echter lijkt niet op de onze. Hij observeert en geeft kinderen naast alle andere taken een bijzondere taak: dagelijks schrijven drie kinderen een brief aan de klas over wat zij ervaren hebben de dag ervoor. En in die brief schrijven ze wat hen geraakt heeft, waar ze boos van werden, of juist blij. Waar ze trots op zijn of zich juist voor schamen. Naar aanleiding van de brieven ontstaan er discussies in de groep. Kinderen herkennen zichzelf in de tekst, of juist niet. Spreken naar elkaar uit wat zij ervaren, niet als feit maar als gevoel. Spreken uit wat hen bezighoudt en terughoudt, wat het leven hen op deze jonge leeftijd al aan uitdagingen biedt. Zoals het verlies van een vader. Regelmatig vloeien er tranen. Maar één ding is wel erg opvallend: de klas is tijdens deze momenten muis, maar dan ook muisstil. Iedereen richt zijn aandacht op het gezegde, en op de gevoelens die het met zich meebrengt. Iedereen kijkt naar zijn of haar eigen hart en dat van de ander.

Kanamori leert de kinderen de belangrijkste les van het leven: ze leren kijken naar zichzelf, kijken naar hun hart. En niets is moeilijker dan dat. Het is niet makkelijk om in je eigen hart te kijken. Maar je zult je eigen kwetsbaarheid moeten ontdekken om een band met anderen aan te kunnen gaan. Je kwetsbaarheid tonen. In de Japanse schuldcultuur, waar harakiri toch vanuit de traditie het antwoord was op gemaakte fouten, staat er nu een onderwijzer op die tegen de leerling zegt: toon je kwetsbaarheid. En tegen de groep: aanvaard de kwetsbaarheid van je vrienden en steek een helpende hand toe. Pas wanneer je je kwetsbaarheid hebt getoond zullen je naasten het voor je opnemen en je beschermen. Getuige van deze stelling is het moment waarop een leerling door meester Kanamori gestraft wordt wegens het voortdurend kletsen en giechelen tijdens de les (dat komt de Nederlandse onderwijzer beslist bekend voor). De leerling mag niet deelnemen aan het middagprogramma, wat een absolute beloning voor hard werken zou worden. De leerlingen hadden hier erg naar uitgekeken. De gestrafte leerling, Yo, zou in de klas moeten blijven terwijl zijn vrienden vlotten gingen bouwen. Yo barstte in tranen uit. Meester Kanamori wachtte zwijgend de reacties af. Schoorvoetend ontstond er een protest. Eén leerling nam het voortouw, een ander vulde het aan.  De klasgenoten vonden de straf niet passen bij de zonde. En uit protest tegen deze straf zouden zij zelf dan ook niet deelnemen aan de vlottenrace. De advocaten van de gestrafte leerling huilden zelf terwijl zij spraken. De pijn van Yo was daarmee ook hun pijn. Meester Kanamori’s hart moet beslist sneller geslagen hebben toen hij de reacties hoorde. Zijn doel was bereikt, de band was ontstaan. De groep was belangrijker dan het individu. Maar zonder het individu was er ook geen groep. De kracht van ‘samen’.

Zijn dit belangrijke lessen voor leerlingen van 10 jaar? Lijkt mij wel. Behalve alle tafeltjes van voren naar achteren te kunnen opdreunen, lijkt mij zeker in de huidige tijd, dat het laten zien en voelen wat echt leven inhoudt nu belangrijker is dan ooit. Dat liefde en het delen daarvan noodzaak is om te kunnen overleven. Dat kwetsbaarheid niet betekent dat je hulpeloos bent. Dat niets in dit leven zeker is, dat je geen garanties krijgt. En dat het goed is na te denken over het leven en jouw rol daarin. Dat vriendschap ontstaat door elkaars gevoelens te respecteren. Oog hebben voor elkaar is het geheim om gelukkig te worden. Gelukkig zijn vanuit het diepst van je hart.

Ik vertel niets nieuws. Het is een eeuwenoud verhaal dat veel te vaak verkeerd geïnterpreteerd wordt. De wereld heeft predikers nodig. Laat mij er dan één zijn. Geef de draad door, dan breekt het lijntje niet.

Log in of schrijf je in om commentaar te geven
Door in te loggen (eerst inschrijven) kun je reageren op deze content.  log nu in/schrijf je nu in